Het Vluchtelingenkamp

uit: De Hoeven en het Vluchtoord -  door H.M. van den Elsen

HOE HET WAS OP DE HEIDE

Een Kruisheer, H. Linnebank O.S.C., wandelt met zijn studenten door de jonge eikenlaan die Hoevense-weg heet, van Uden naar Zeeland. Het is augustus, midden jaren 1930. De heide staat volop in bloei, het is bovendien een zonnige dag, en het studentenvolkje zet zich neder in een kring op de heide en Linnebank vertelt. Zo begint het boekje van zijn hand met als titel "De wonderen van de Udense Hei".


De verteller waant zich in 2015, honderd jaren na de oprichting van het vluchtelingenkamp. Hij kan niet vermoeden dat er dan geen Kruisherenstudenten meer door de straten van Uden wandelen. Hij stelt hun de vraag: ‘Gelooft ge wel jongens, dat hier honderd jaren geleden een grote stad heeft gestaan, dat die plotseling in drie maanden uit de grond verrees, dat er 7000 mensen woonden, dat er in een week soms 500 nieuwe stedelingen bijkwamen, dat er Frans, Vlaams en Esperanto gesproken werd. Wisten jullie dat daarginds een ziekenhuis stond, en dat er grote groepen landelijke woningen stonden, daar links van de weg scholen, en dat er een kerk stond, een klooster en een pastorie. Vijf priesters waren vast aan de parochie verbonden. Daarginds bij die hoge sparren’, hij wijst naar een opkomend bosje, ‘daar stond het raadhuis, daar zetelde een heuse burgemeester!’ Toen werd het even stil in de ietwat verbaasd starende groep. ‘Daar op die plek, daar bloeiden rozen, rozen op de Udense hei’. Tot zover citaten van de verteller.


Juist Voorbij de Hoeven waar de Durenlaan zich afsplitst van de Hoevenseweg, begon nog in het begin van de vorige eeuw het bos en de heide, afgewisseld met verspreide vliegdennen. Hier lag boven de Hoeven de nog niet ontdekte Udense heide. Deze strekte zich uit langs het dorp Zeeland en werd omsloten door Nistelrode, Heesch en Schaijk. Een zee van onbenutte ruimte, niet ver van de bewoonde wereld en in niemands weg. Het was niet zo oogstrelend als in onze tijd. Heide was er immers zoveel. Men maaide wel de heide voor de potstallen en weidde er de schapen. Ook leverde de heide grondstof voor het maken van bezems en borstels, maar het aanbod was zo overdadig dat men er maar weinig oog voor had.


Een uitzondering was wel de schoonheid van de heide als die in bloei stond, als ze haar purperen kleed liet zien, als ze zich liet ruiken en als de bijen hun hoogseizoen beleefden, dan dwong haar climax even bewondering af. Dan moest men kijken en haar geuren snuiven, het jaarlijks terugkerende wonder van de Udense hei. In de loop der jaren was er meer oog voor de ontginning. Voedselschaarste dwong tot het in cultuur brengen van grote stukken heidegrond. Grote ontginningsbedrijven zetten zich hier aan, hun naam al dan niet ontlenend aan de heide, zoals de al of niet Koninklijke Heidemaatschappij. De traditionele boer kon dat met zijn simpele ploeg nog niet bereiken. De kunstmest deed zijn intrede en rijksbijdragen hielpen de ontginning. De latere ontginningsgronden dragen nog de namen: hoge heide, lage heide, ‘Leeg Heij’, maar ook Ericaweg en Delstraat enzovoort. Het geven van deze namen is de enige mogelijkheid om een belangrijke historie levendig te houden. Maar op deze grote zogenaamd onbenutte ruimte heeft de Nederlandse regering het oog laten vallen. Er kwam een vraag naar Uden, die luidde: ‘Zijn jullie bereid om een stuk heidegrond van ± 35 ha, zegge vijfendertig hectaren, kosteloos in bruikleen af te staan? Het zal worden ingericht als verblijfplaats voor enkele duizenden Belgische vluchtelingen die in nood verkeren en een onderkomen moeten krijgen.’ En aldus geschiedde.