Het Vluchtelingenkamp

uit: De Hoeven en het Vluchtoord -  door H.M. van den Elsen

Het kamp en de aanleiding

De Duitsers vielen op 4 augustus 1914 België binnen en rukten snel op. Na een zware beschieting viel de sterke vesting Luik. In september stonden de Duitsers nog 22 km van Parijs vandaan. Tenslotte liep de oorlog op een zgn. stellingenoorlog uit. De legers van de geallieerden lagen evenals de Duitsers in loopgraven en zo verstarde het front. Men kon zelfs niet terugtrekken. Zo bleef bij Ieper nog een stukje België onbezet. Koning Albert had daar het land onder water laten lopen. In oktober beschoten de Duitsers Antwerpen. De gruweldaden, door de Duitse soldaten begaan tegenover de Belgische burgers, deden de haat, maar ook de angst hoog oplaaien. Toen pas begon de grote uittocht naar noord en west. Waar precies heen wist niemand, en daar dacht ook niemand aan. R.W.R. Verdeyen spreekt in zijn boek ‘België en Nederland’ over een kudde opgejaagde mensen, van wrokkende gedachtelozen, voortgestuwd door de primitieve zucht naar zelfbehoud. In dagen van nood is de grens tussen Nederland en België een kunstmatige, en men hoopt hetzelfde volk te ontmoeten, het Brabantse, dat door menselijke naastenliefde de nood der bannelingen zal aanvoelen. Hun slaapstede, nog deze avond, zal zijn een schuur, een stal, een school, een kerk of een schip. Wat het ook moge zijn, het zal de opgejaagd vluchtende mensen rust geven. Het totaal aantal vluchtelingen wordt geschat op l miljoen: 500.000 via Noordbrabant, 400.000 via Zeeland en 100.000 via Limburg. Geleidelijk aan, zodra hun gebied weer veilig was, trokken honderdtallen naar hun huis terug. Van het totaal zullen er 100.000 langdurig in Nederland verblijven. Daarom werden er vluchtoorden opgericht.


Een daarvan werd opgericht op Udense bodem. Er waren twee raadsvergaderingen nodig om de vroede vaderen van Uden te overtuigen Van de noodzaak om op de Udense hei een vluchtelingenstadje voor de Belgen te laten verrijzen. Half november 1914 kreeg burgemeester Thijssen van Uden een aanvraag van de Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Brabant, of er in Uden grote gebouwen te huur waren voor de huisvesting van de Belgische vluchtelingen. Een tweede vraag betrof de inrichting van een vluchtelingenkamp. De burgemeester die ook het geldelijk voordeel voor de gemeente Uden op het oog had, deed er ogenblikkelijk veel moeite voor. Temeer omdat hij wist dat verschillende gemeenten om dezelfde reden genegen waren zo’n kamp te hebben. Spoedig bleek dat de aandacht speciaal op Uden gevestigd was. De regeringscommissaris Jhr. Mr. Charles Ruys de Beerenbrouck kwam dat persoonlijk aan de burgemeester mededelen. Voorwaarde was, dat het water in de hei boven de Hoevense heide na scheikundig onderzoek goed wordt bevonden als drinkwater. Door een Udense koperslager worden op het terrein een aantal pompen geslagen. Een bekend laboratorium uit Utrecht werkte de analyse, overeenkomstig de nood van de vluchtende mensen, met veel haast af. De uitslag van de analyse ‘was zoals te voorzien’, zo staat geschreven: gunstig. De actie kwam nu in een versnelling. Op 5 december 1914 werd reeds een spoedeisende raadsvergadering belegd. De gemeenteraad kwam bijeen ter bespreking van het verzoek. Dhr. M.C. Thijssen was burgemeester, Dhr. Th. Hoefs secretaris en de heren J. van Elk en P.J. Spierings de wethouders.


Het enige agendapunt was ‘het kosteloos beschikbaar stellen Van een terrein van een kleine 100 bunder gelegen aan weerszijden van de steenweg Uden-Zeeland boven de Hoeven. Maar warempel, de stemmen staakten: vijf vóór, vijf tegen, doordat raadslid Dr. Koning afwezig was, zodat deze zaak overeenkomstig de gemeentewet naar een volgende vergadering moest worden verwezen. Sommige raadsleden waren beducht voor de veiligheid en rust bij de aanwezigheid van zoveel Vreemdelingen. Er zouden 7000 vluchtelingen komen terwijl Uden 6000 inwoners had. Intussen werden door neringdoenden en industriëlen handtekeningen verzameld om te bevorderen dat deze bron van inkomsten voor Uden niet verloren zou gaan. Ook werd Dr. Koning benaderd door middenstanders die hun belang bij hem bepleitten. Op 10 december vergaderde de gemeenteraad opnieuw. De regeringscommissaris was zelf aanwezig. De zaak werd besproken met gesloten deuren. Er zal menig nootje gekraakt zijn, want ze was langdurig. Toen de vergadering openbaar werd, las de voorzitter een rekest voor van 69 ondertekenaars, die met de meeste aandrang verzochten het daarheen te leiden, dat aan de regering toestemming werd verleend tot het oprichten van een vluchtelingenkamp. De raad besloot met algemene stemmen het verzoek van de regering toe te staan. Naast het geldelijk voordeel speelden nu ook vredelievende argumenten een grote rol. Snel werd met de bouw begonnen.