Het Vluchtelingenkamp

uit: De Hoeven en het Vluchtoord -  door H.M. van den Elsen

De grote vlucht

Propvolle lange treinen denderen de hele dag van Antwerpen naar Roosendaal, dit nadat alle vriendelijke bemiddelingspogingen systematisch van de hand zijn gewezen, omdat keizer Wilhelm II de Europese oorlog wilde. Frankrijk, zijn aartsvijand zou hij het eerst de doodsteek geven. Hij wilde daarom een vrije doortocht door België. Vrije doortocht, zo niet, dan een vrije doortocht met geweld. Op 1 augustus galmden plotsklaps alle klokkentorens ‘Klokke Roeland’ over de vlakte, ‘te wapen, te wapen’, want men zou nog even moeten vechten voor koning en Vaderland. Koning Albert aan het hoofd ‘voor God en Vaderland’ ving de ongelijke strijd te Luik aan. Duizenden onschuldige burgers werden door de vijand weggevoerd. De eeuwenoude welvaart ging knetterend in vlammen op. Zo verliepen augustus en september 1914. Het was verschrikkelijk toen over het puin van de ineengeschoten forten de eerste bommen de stad Antwerpen bereikten. Begin oktober begon de grote vlucht naar Nederland. De Belgische wacht schreeuwt ‘Paspoorten, paspoorten!’. De Hollandse soldaten en grenswachten die in Antwerpen een slechte naam hadden, waren zo gedienstig dat de vluchtelingen verstomd stonden te kijken. Toen men de oorlogvoerende bodem verlaten had, voelde men veiligheid, en stom stonden ze te kijken naar de driekleurige paal waar het Nederland heette. Toch gaf het meteen dat onzekere toekomstgevoel.



Van Hontenisse naar Uden

Een vluchteling vertelt het volgende: ‘Het verhaal van bewoners die van het kamp Hontenisse naar Uden verhuisden, spreekt voor zichzelf. Wij reisden met de trein van Tilburg, met een overstap in Boxtel, naar Uden (de toenmalige spoorlijn Boxtel-Uden-Wesel, in de jaren ’60 opgebroken). Vanuit Uden te voet naar het Vluchtoord toe. Het was laat in de middag en we waren erg vermoeid. In een enorm grote eetzaal kregen we een bord warm eten aangeboden. Het was een vreemde omgeving en we werden door veel nieuwsgierige blikken nagekeken. We kenden Uden niet. Het zag er beter uit dan in Hontenisse. Omdat de oorlog langer duurde dan verwacht, moesten we verhuizen. Kwam er aan onze ballingschap dan nooit een einde? We waren ook afhankelijk van de goed bedoelde besluiten die de kampleiding aan ons oplegde. Voor ons gevoel zaten we heel dicht bij de Duitse grens, wat ons aanvankelijk niet aanstond.


De eerste nacht hadden we goed geslapen. De Volgende morgen bemerkte ik de uitgestrektheid van het kamp. We wandelden langs de vele barakken in hun blankheid van Vers gezaagd hout en de nieuwigheid nodigde ons uit tot een ‘J? kijkje door de open ramen en deuren. Het was toen april 1915 en voor de deuren zaten moeders in het warme lentezonnetje ijverig te breien. Die hadden met hun man en kroost hun draai al gevonden, hun glimlach bevestigde dit. Op de keukens stoomden sissend de nieuwe afvoerkokers en door de walm heen klonk de veerkrachtige klompentred van de vele koks ons tegen. Ik zag een heus telegraaf- en postkantoor, zo dichtbij in verhouding tot wat wij thuis gewoon waren, dat dit als een luxe beschouwd kon worden. Bij de verdere wandeling stonden we stil bij de winkel, die Van allerhande waren was Voorzien.


Verder de elektrische centrale, een kapperswinkel, een kerk met klokje, en scholen, en al die gebouwen lagen aan en om uitgestrekte pleinen en langs brede wegen. Aan deze eerste wandeling, die bemoedigend was, kwam tenslotte een prettig einde. Het was toen nog vroeg in de middag en enigszins vermoeid mocht ik plaats nemen in de auto Van het kamp. Deze auto werd bestuurd door een echte chauffeur en nog wel een Udense man. Hij gaf ons nog een rit over het kamp. Op de Udense hei was formeel een dorp uit de grond gerezen, waar wij naar omstandigheden een goed verblijf hadden en waarvoor wij Nederland dankbaar zijn.’