Belgische vluchtelingen in interneringskampen tijdens de 1e wereldoorlog

Het is 2 augustus 1914. Duitsland is bezig om heel Europa te overwinnen. Ze sturen veel soldaten naar Frankrijk en willen daarbij België als vrije doorgang gebruiken. De Belgische overheid wijst dit voorstel af; daarom vallen de Duitsers, die met veel meer en veel beter bewapend waren, twee dagen later België binnen. Al snel worden vestingen overgenomen, en de Duitse overrompeling is overdonderend. Op 20 augustus meldt koning Albert de terugtrekking van het Belgische veldleger naar de oninneembare vesting Antwerpen. Ook dit gaat helemaal verkeerd; de Duitsers worden onderschat en Antwerpen met zijn dubbele verdedigingsringen overschat. Hierover schreef een soldaat:

"Ik heb dat meegemaakt toen wij in het fort van Kathelijne-Waver weerstand trachtten te bieden met onze batterijen. De houwitsers van de Duitsers droegen vijf kilometer verder dan onze artillerie. Toen het fort gebombardeerd werd, beseften onze jongens dat zijn nutteloos hun kruit verschoten omdat hun geschut slechts vijftien kilometer ver droeg, terwijl de Duitsers ons vanop twintig kilometer afstand bombardeerden."

Op 28 september begint deze aanval op Antwerpen met grof geschut. De buitenste verdedigingsringen vallen één voor één in Duitse handen. De Belgische soldaten zijn oververmoeid en geven steeds meer grond weg aan de Duitsers. Deze namen langzamerhand de hele stad over. Veel mensen vluchtten hiervoor naar het neutrale Nederland, de enige vluchtroute omdat de andere routes ofwel waren afgesneden ofwel in Duits gebied lagen. Op 10 oktober bood de Antwerpse burgemeester de capitulatie van de stad aan. Vanaf dat moment kwamen er steeds meer Belgische burgers de grens over; bij elkaar zouden dit er zo'n 1.000.000 worden. De Nederlandse regering bemoeide zich niet al te veel met deze stroom, maar probeerde wel zoveel mogelijk Belgen naar huis te laten keren. Het totaal aantal gevluchte vestingsoldaten betrof zo'n 40.000 man (dit was ongeveer éénderde van het totale Belgische leger). Ongeveer 7.000 andere Belgische militairen lukte het om in burgerkleding te ontsnappen naar Engeland.

Hoe verlieten de Belgische soldaten hun posities en vluchtten naar Nederland?
Over deze vraag bestaat onenigheid, er gaan verschillende versies rond. Één ervan is dat de Belgische legerleiding en regering het moeilijk heeft gehad met het verlies van éénderde van zijn troepen. Van de 40.000 soldaten die na de capitulatie van Antwerpen naar Nederland vluchtten, zijn er ongeveer 7.000 alsnog teruggegaan om België te dienen. De overige 33.000 werden door de regering beschouwd als laffe zakken die het niet moesten wagen ooit nog een stap in België te zetten.

Een ander verhaal is dat een deel van de officieren tot de laatste snik door wilden vechten. Een tweede groep officieren gaf aan hun troepen opdracht om naar Nederland te vluchten, terwijl een derde groep zelf vluchtte en zijn onderliggende soldaten in de steek liet. De soldaten hadden de keuze: krijgsgevangen in Duitsland of internering in Nederland. Die laatste keuze was voor veel mensen een stuk aanlokkelijker, vandaar de grote stroom Belgen. De familie van de soldaten werd opgevangen in gastgezinnen door heel Nederland. Rond november 1915 werd begonnen met de bouw van het eerste permanente interneringskamp in Nunspeet.

Een overzicht van de voorlopige en permanente interneringskampen en vluchtoorden.
Voorlopige kampen waren ingericht in:

  • Amsterdam (de loodsen van het IJ)
  • Baarle Nassau (stationsgebouwen)
  • Bergen op zoom (twee tentenkampen)
  • Hontenisse (tenten- en barakkenkamp dat plaats bood aan ongeveer 4.000 mensen, werd in mei 1915 opgeheven en de bewoners werden overgeplaatst naar permanent kamp Uden)
  • Oldebroek (kamp in barakken van een schietschool in Oldebroek, werd in december 1914 opgeheven om plaats te maken voor het interneringskamp. De bewoners werden overgeplaatst naar één van de officiële kampen)
  • Roosendaal (suikerfabriek die onderdak bood aan zo'n 1600 mensen)
  • Scheveningen (in het circus)
  • Tilburg (tentenkamp dat later een barakkenkamp werd; dit werd opgeheven in mei 1915 en de bewoners werden overgeplaatst naar één van de officiële vluchtoorden)
  • Veenhuizen (kamp voor ongeveer 1500 burgers. Werd in juni 1915 opgeheven en de bewoners werden overgeplaatst naar Nunspeet)
  • Vanaf half november 1914 begon het onderbrengen van de vluchtelingen in de officiële vluchtoorden. Hierbij werden ze ingedeeld in een onderkomen dat 'paste bij de sociale status van de vluchteling'. Ze werden ingedeeld in drie groepen: de 'Vermogende Belgen', de 'stille armen' en de 'arme' vluchtelingen.
    De arme vluchtelingen werden weer onderverdeeld in drie subgroepen:

    1. De gevaarlijke of ongewenste elementen
    2. De minder gevaarlijke elementen
    3. De fatsoenlijke behoeftigen

    De grootste interneringskampen met hun opzet:

    In totaal waren er 21 interneringskampen verspreid door Nederland. De grootste drie, Nunspeet, Ede en Uden, hadden behalve barakken met woon- en slaapvertrekken voorzieningen die je in een gewoon dorp ook tegen zou komen: een kerk, winkels, een postkantoor, een ziekenafdeling, een kantine, een bibliotheek, schoollokalen, magazijnen, badinrichtingen, werkplaatsen.

    In de praktijk werden deze kampen helemaal niet volledig benut zoals ze bedoeld waren. In de eerste plaats was het onderscheid tussen arm / niet fatsoenlijk en rijk / wel fatsoenlijk niet secuur en werd er vaak mee gerommeld, en ten tweede werd de maximale opnamecapaciteit van de kampen nooit benut. Hoewel de cijfers mooi klinken, bleek uit een verslag van de Centrale Commissie heel wat anders (dit zijn vooral vrouwen, kinderen en bejaarde vluchtelingen):

    De reden voor deze onprecieze werkwijze is niet om de kampen groot, modern en ontwikkeld te laten lijken, maar door de maatregelen hoopten ze dat veel Belgen liever naar België terug wilden keren.

    Wat waren de leefomstandigheden in de interneringskampen?
    De leefomstandigheden in de interneringskampen verschilden erg van elkaar; de kampen hadden te kampen met verschillende problemen.
    Hieronder volgt een serie algemene redenen waarom het geen pretje was om in zo'n oord opgesloten te zitten:

    Onderwijs, ontspanning en andere bezigheden in de interneringskampen
    Natuurlijk waren er ook leuke en vooral handige dingen in het kamp; dit werd dus door de CAC georganiseerd. De CAC deed meer dan alleen ontspanning bieden; de organisatie had de lof van koning Albert en een aantal hoogstaande Belgische politici, en het voerde een onderwijssysteem in. De intellectuelen in het kamp konden analfabetische kampbewoners leren lezen en schrijven. De gevorderden konden algemeen vormend of beroepsonderwijs volgen.

    De BBAN
    In september 1916 werd door Camille Huysmans (iemand die zeer begaan was met het lot van de Belgische geïnterneerden sinds de opstand van 2 en 3 december) een bond van kampgevangenen opgericht, de zogenaamde BBAN (Bond van Belgische Arbeiders in Nederland). Dit was een organisatie van socialistische militanten. De Bond moest de Belgische militairen in staat stellen om voor zichzelf op te komen. Huysmans beschouwde de BBAN ook als een middel tegen de propaganda die onder de geïnterneerden werd verspreid door het 'Office Belge'. Dit was een semi-officiële instantie die in Nederland inlichtingen verzamelde ten behoeve van het Belgische leger en de regering, en ze verschaften hoofdzakelijk hulp aan de geïnterneerden.

    De Bond was een tweetalige organisatie. Ze hadden een weekblad, 'De Belgische Socialist', en ze bestonden uit verschillende afdelingen die in de interneringskampen en in verschillende Nederlandse dorpen en steden actief waren. Het was vooral een politieke organisatie die de banden tussen de in Nederland verblijvende Belgische soldaten wilde verbeteren en hen wilde voorbereiden op de naoorlogse periode.

     

    Bron: http://www.scholieren.com/werkstukken/20376