De Wonderen van de Udense Hei

door H. Linnebank

DE OPBOUW.

„Wien sit de wreedheidt in ’t gebeent
Soo diep nu, dat hy niet en weent,
En met versleghen hart betreurt
De droefhejdt die ons valt te beurt?
Die dees versufte schaar siet gaen
Met sorgh, met rouw, met anxt belaen,
Schoorvoetend uit haer vaderlandt:
Wel heeft hy ’t hart van diamant,
Siet hy ’t met onbewoghen oog.”

(Hooft. Baeto. Rey.)

In oktober 1914 was Antwerpen ingenomen door de Duitsers en vluchtte half België van schrik in de uitgestoken armen van Nederland. Bij honderdduizenden werden de vluchtelingen geteld. Nederland was vrij en gul en had medelijden met haar Zuiderburen waarvoor ze wel zou zorgen. De vluchtelingen werden zoveel mogelijk verdeeld over verschillende steden en dorpen. Maar het bleek geen kort verblijf te zijn, het duurde allemaal veel langer dan verwacht.

Het duurde al maanden en het konden nog wel jaren worden. Het opvang moest dan ook veel beter door de regering georganiseerd en verzorgd gaan worden. De dorpen en steden die voor de eerste opvang gezorgd hadden dienden van hun gasten verlost te worden en daarvoor werden geschikte plaatsen elders in het land gezocht waar enige duizenden vluchtelingen verzameld konden worden.

Vluchtelingenkampen zou onze regering aanleggen voor de Belgen met brede wegen, met winkels en scholen, magazijnen, eetzalen, kerken, werkhuizen, raadhuis en zelfs een gevangenis.

Nunspeet was zo'n plaats, en Ede, Gouda, Roosendaal, Hontenisse. De regering liet haar oog nog eens gaan over Noord-Brabant en vond op de Udense hei een zee van onbenutte ruimte, niet te ver van de bewoonde wereld en het lag daar voor in niemand in de weg. Als daar eens een Belgisch dorp kon komen!

Jhr. Mr. Charles Ruys de Beerenbrouck, Regeringscommissaris van Noord-Brabant, vroeg namens de regering aan de gemeente Uden of zij geneigd was een terrein heide (boven de Hoeve) van 50 à 60 hectare kosteloos in gebruik af te staan (zolang de regering het wenste) om er een verblijfplaats voor enkele duizenden Belgische vluchtelingen in te richten.


De burgemeester riep op 5 december een extra vergadering bijeen met de gemeenteraad, waarin hij de raad met het verzoek van de regering in kennis stelde en hij wees op de grote financiële voordelen voor de inwoners van Uden. Sommige raadsleden meenden echter bezwaren te moeten maken. Zij waren bang voor de veiligheid en de rust bij aanwezigheid van zoveel vreemdelingen en toen er een besluit genomen moest worden, staakten de stemmen 5 tegen 5 zodat de zaak nogmaals in behandeling zou moeten komen.

Een nieuwe vergadering werd belegd voor 10 december, waarbij de Regeringscommissaris zelf aanwezig was.

De zaak werd eerst besproken achter gesloten deuren. Toen de vergadering openbaar werd, las de voorzitter een verzoek voor van 69 van de voornaamste hotelhouders en industriëlen, die met klem verzochten om aan de regering toestemming te verlenen voor de oprichting van het kamp. Daarop besloot de raad met algemene stemmen het verzoek van de regering toe te staan.

Reeds in dezelfde week werd begonnen de werkzaamheden. De bossen werden omgekapt, de stronken gerooid en de grond geëffend. De vluchtelingen, die toen al in Uden waren ingekwartierd, werkten ijverig mee. Hun loon bestond uit een stevige werkbroek, dagelijks twee boterhammen met spek en extra koffie, en om de twee dagen een pakje tabak.


Vanaf dat moment werd het een onvermoeid gesleep en gesjouw door Uden. Transporteurs trokken met karrenvrachten planken en andere goederen van het station, waar algauw 200 wagonladingen met bouwmaterialen aankwamen. Zeventig barakken moesten er komen met een oppervlakte van gemiddeld 15 bij 50 meter. Aan 34 barakken tegelijk begon men te bouwen. Iedereen die kon en wilde werken, had kans om een stuiver te verdienen. Een brede weg verdeelde het terrein in tweeën, terwijl aan de kanten een sloot werd gegraven van 4 meter breedte en 2 meter diep, waaruit men bij brand water kon putten en die tevens zou dienen om de overtollige kwelwater naar de spoorsloot af te voeren.


Op 17 januari komt de Regeringscommandant van het aanstaande Vluchtoord, Overste Wilhelm, een gepensioneerd luitenant-kolonel van het Oost-Indisch leger en een deftig, goedhartig en godsdienstig man, voorgoed in Uden wonen. Het werk vordert zo vlug, dat nog geen maand later de eerste veertig Belgische voorlopers (koks, huisknechts, stoffeerders) naar Nieuw-Uden worden gestuurd om de allerlaatste voorbereidingen te treffen.

Op carnavalsmaandag 15 februari, komen de twee eerste priesters, Pastoor Bernardinus Mets met zijn kapelaan pater-Lazarist Hofman. Ze verblijven in het Kruisherenklooster tot hun pastorie in Nieuw-Uden gereed is. Op aswoensdag komen de eerste groepen Belgische vluchtelingen naar hun nieuwe Vluchtoord op de Udense heide. Daags daarna wordt er de eerste Heilige Mis gelezen. Daarna kwam de stroom van ballingen pas goed op gang; iedere dag zo’n 250 man; havelozen en zwaar bepakten, individueel of met hun families, zwijgers en luidruchtigen, burgers en boeren, kinderwagens en sportkarren, hondjes en kanarievogeltjes. Landverhuizers-ellende. Oorlogswee. Ofschoon alles zo goed mogelijk geregeld was, zullen er toch veel tranen gelaten zijn op de harde planken vloer op de Udense hei!


Sommigen namen de ballingschap echter vrolijker op. Op 7 maart, een zonnige zaterdag, trok een troep met de grote Belgische vlag voorop en de harmonica erbij, zingend van den Vlaamse Leeuw, langs het klooster naar ’t kamp. Vrolijk? Of toch tragisch? De schijn bedriegt...

Nu de lente terugkeert, blijkt meer en meer‚ dat de Regering blij is met haar keuze voor Uden. Het groen van de dennenbossen siert de omgeving, de grond is er droog, de stad is hoog gelegen. Men kan aan de Belgen zien, dat het hier een gezonde streek is.