SCHETSEN UIT HET VLUCHTOORD UDEN

DOOR LOUIS BROUNTS

MET EEN VOORWOORD VAN
SENATOR EDGAR VERCRUYSSE

UITGEGEVEN DOOR DE VLAAMSCHE
BOEKENHALLE TE LEIDEN, IN 1918



VOORWOORD

Men vroeg mij, niet zolang geleden, of ik dacht dat het verblijf van zoveel duizenden Belgen in Nederland, gedurende verscheidene jaren, de banden tussen de twee volkeren zou versterken of verslappen. Het is lastig op deze vraag een beslist antwoord te geven. Wij kunnen moeilijk vaststellen welk oordeel de Hollanders over ons zullen vellen. Hoogst waarschijnlijk zal het wel uiteenlopend zijn, en beïnvloed door plaatselijke en persoonlijke omstandigheden.

Dit zal ook wel het geval zijn met de stemming van de Belgen. Ik vrees, dat een groot getal van onze landgenoten alleen zijn eigen droeven situatie zal inzien, en al te gemakkelijk vergeten, wat voor ons is gedaan, en de grotere ellende waarvan wij door de inspanning van Nederland gespaard bleven.

Het was zo een heerlijk leven in ons België van vóór de oorlog. Iedereen, die werken wou, had de gelegenheid het gepaste werk te vinden en kon een breed en ruim bestaan aan zijn gezin verzekeren. En nu? Welk is ons lot? Wij zijn uit onze gewone omgeving weggejaagd. Het werk, waar wij van jongs af in opgebracht zijn, is ons ontnomen. Wij moeten ons op een andere taak toeleggen, gelukkig zijn als wij maar iets vinden en geen nijdig woord ons wordt toegesnauwd. Het leven is duur, vele dingen, die ons vroeger onmisbaar schenen, ontbreken, en het gebeurt wel eens, dat men ons verwijt het brood aan anderen te onttrekken. Wij leven in angst voor familieleden, die in ons land zijn gebleven en voor onze jongens, die hunnen plicht kwijten en, dag en nacht, hun leven wagen. Wij hadden vroeger de zekerheid van de toekomst en nu weten wij niet welk lot onze kinderen wacht. En dit alles werkt noodzakelijk op ons gemoed. Wij denken enkel aan ons lijden. Wij voelen wat ons ontbreekt en zijn maar al te geneigd, dit te vergeten, wat voor ons is gedaan.

Wij moeten soms in gedachten de dagen van oktober en november 1914 herleven. Honderden, duizenden vluchtelingen stroomden Holland binnen. Sommige plaatsen zoals Hulst, Roosendaal, Bergen op Zoom, kregen meer gasten dan ze inwoners tellen. En die talloze menigte was zonder iets. Men moest ze spijzen, onder dak brengen en verzorgen. Heel Holland zette zich aan het werk. Men stuurde treinen met voedsel. Vrachtauto’s brachten dekens en kleren; scholen, patronaten, fabrieken en schuren werden als logementen gebruikt, en zo behielp men zich de eerste dagen. Men begon dan de grenssteden te ontlasten en dezelfde toewijding, die boven allen lof stond, hernieuwde zich overal. Ik zie ze nog langs komen die treinen vol ongelukkigen. In iedere stad, in iedere gemeente werd gestopt. Plaatselijke comités hadden zich gevormd en stonden er op hun aantal bannelingen te mogen herbergen. Alles was voor hen klaar. Dames waren aan het station, om de eerste hulp te brengen, voedsel was voorhanden, warme melk voor de kleinen, dokters om zieken en zwakken te helpen. De padvinders brachten iedereen naar zijn plaats van bestemming. Zo werd een toestand geschapen, die meerdere weken heeft geduurd en in al dezen tijd heeft nooit de hulpvaardigheid én van de Nederlandse staat én van de bevolking teken van vermoeienis gegeven.

Dit miljoen vluchtelingen is niet in Holland gebleven. Zeer vele zijn naar hun haardsteden teruggekeerd. Vele duizenden toch zijn hier gebleven. De meeste, omdat hun woning in België vernield was, talrijke andere, omdat ze opgroeiende jongens voor aankomende plichten beschikbaar wilden houden. Andere redenen nog deden zich gelden.

De eerste organisatie, die een onvoorbereid karakter droeg, was niet toereikend voor een langer verblijf. Dan kwamen al die inrichtingen, die wij nu kennen: Het steuncomité voor vluchtelingen, dat tot in de kleinste dorpen zijn vertakkingen heeft, - de commissie tot voorziening in de woningnood van de gezinnen van geïnterneerde militairen, die de dorpen rond Amersfoort en Harderwijk heeft gesticht, - de centrale commissie voor het Onderwijs, die in alle centra scholen voor de Belgische jeugd heeft opgericht, - en eindelijk die grote ondernemingen te Uden, te Ede, te Gouda, te Nunspeet, waar duizenden en duizenden Belgische vluchtelingen werden gehuisvest en onderhouden. Het is aan een deze vluchtoorden dat deze monografie van de heer Louis Brounts is gewijd.

Zeker het leven in een ven deze vluchtoorden is niet te vergelijken met het leven van vroeger in het vrije vaderland. Iedereen is buiten zijne gewone omgeving, men mist vrienden en familieleden, - de akker, dien men sinds jaren beploegde, ontbreekt, - de werkplaats, waar men zo lang de kost voor zijn gezin kon verdienen, is maar een herinnering meer, - de oude kerk, waar men troost en sterkte ging zoeken, zien wij enkel nog in onze dromen. Dit alles, wat ons ontbreekt, beheerst onze gedachten en wij vergeten soms wel, wat de liefde voor ons tot stand heeft gebracht. Het is dus een nuttig werk, dat de schrijver van dit boekje verricht, wanneer hij ons het gedane werk voor ogen legt.

Het inrichten van deze vluchtoorden was een reuzenwerk. Noch op eigen ondervinding, noch op die van anderen kon men steunen. Nooit was men verplicht geweest zulk een vraagstuk op te lossen. Nooit was het voorgevallen, dat men voor dertig of veertig duizend mensen alles in eens moest inrichten. Maar een onbegrensd medelijden, een wilskracht zonder weerga en een stelselmatige inspanning hebben alle moeilijkheden overwonnen. 7000 Belgen zijn, in Uden alleen, onder dak gebracht. Ze worden gekleed en gevoed. De overgrote massa is aan het werk en heeft zo het gevoel niet uitsluitend op bijstand te bestaan. Men heeft getracht, zoveel de omstandigheden het toelieten, het Belgische karakter aan de levenswijs te behouden. Belgische priesters zorgen voor het godsdienstig leven en leer en voor het vaderland bidden, - Belgische dokters en zusters verplegen de zieken en zwakken, - Belgische onderwijzers geven lessen volgens onze programma’s, - in de bibliotheek vindt men uitsluitend Vlaamse of Franse boeken, - een toneelafdeling speelt stukken, zoals in een Vlaamse gemeente, - de zangmaatschappij zingt liederen uit onze gewesten, - Belgische redenaars komen de eentonigheid van de winteravonden onderbreken, - op ieder gebied heeft Holland de hulp van Belgen ingeroepen. Het geeft de indruk, dat men heeft begrepen, dat dit onder-ons-zijn het beste middel was, om het bitterste van de ballingschap te sparen. Holland trekt zich opzettelijk terug, maar is daar, wanneer de kosten gedekt moeten worden. Honderden, duizenden guldens voor het opbouwen en inrichten; meer dan drie en half miljoen voor de gewone onkosten van de drie eerste jaren; dat geeft u een idee van wat Nederland, in Uden alléén, voor ons Belgen heeft gedaan. Vermenigvuldigt dat met het aantal Vluchtoorden, - tracht te schatten wat nog buiten de Vluchtoorden is uitgegeven; dan is de rekening nog niet volledig. Dan kent men nog maar hetgeen Nederland als staat heeft gedaan. Het valt nog veel moeilijker uit te rekenen, wat de Hollanders als particulieren hebben gepresteerd. Wij denken aan de eerste dagen, wanneer iedereen gaf zonder rekenen noch tellen, - wij denken aan de talrijke comités van allerlei aard, - aan de bijdragen van de Hollanders aan de werken op ons eigen initiatief gesticht, - het Belgisch Rode Kruis alléén heeft in Holland een half miljoen gulden ingezameld en de Hollanders hebben daar natuurlijk een groot gedeelte van betaald, - wij denken nog aan de duizenden Belgische kinderen, die hier zonder hun ouders verblijven en in Hollandse gezinnen zijn opgenomen.

Wanneer wij dit alles, als één tafereel voor de ogen hebben, dan drukt de ellende van de ballingschap niet zo zwaar meer op onze schouders, dan voelen wij minder al hetgeen ons ontbreekt en een beredeneerde maar diepe dankbaarheid vult onze harten voor al wat de liefde voor de evenmens, de christelijke liefde voor rasgenoten ons heeft gespaard. Het boek van de Heer Louis Brounts herinnert ons aan onzen plicht: het is een nuttig boek.

's-Hertogenbosch, 6 Juni 1918.

EDGAR VERCRUYSSE