I - MIJN WONING

Op de vensterbank voor het wit-blauw geruite gordijntje staan er bloemen in aarden potjes, naar gelang de tijd van het jaar hyacinten, tulpen, geraniums. Daaraan kun je mijn huisje herkennen, want onderscheid tussen onze woningen hier in het Vluchtoord bestaat er uiterlijk niet. Wij hebben allen een zelfde deur, die onze woonplaats onmiddellijk met de buitenwereld in verbinding stelt, zodat je altijd in letterlijke zin met de deur in huis valt. Wij hebben allen eenzelfde venster, niet groot, maar toch voldoende licht gevend voor het hele huis, geen lucht, maar wel stof doorlatend - en het kan er stoffen op de Udense hei! - bovendien een zelfde langzaam hellend dak, eentonig zwart, blinkend soms, wel eens smeltend in de felle zonneschijn, glimmend na een regenbui als gelakte schoenen, nu en dan bezwijkend onder de ruwe herfstvlagen, of buigend onder het gewicht van het dikke winterkleed. Ieder huis heeft zijn nummer, zoals iedere straat of plein zijn naam, doch in dezen tijd van het jaar is dit bij mij slechts ‘s nachts zichtbaar, omdat het zich gedurende de dag verbergt achter de deur, die steeds wijd openstaat, om de verse lucht vrije toegang te geven tot mijn woning en over mijn woning tot die van mijn mede lotgenoten, die wel in een ander vertrek, maar toch onder hetzelfde dak verblijven.


Het is op het eerste gezicht eentonig, die eindeloze rij van dezelfde gelijkvormige deuren, - want van huizen mag ik eigenlijk niet spreken - toch weten grappenmakers - die zijn er in oorlogstijd ook - de aandacht van de voorbijgangers te trekken door opschriften, versieringen, uithangborden, enz. Bij sommigen, triestig van inborst en onder de indruk van de ernst van de tijden, lees je Villa den IJzer, A la tranchée belge; bij anderen meer poëtisch aangelegd Villa des roses, Villa parfumée; nog anderen, die, misschien wel uit gewoonte, vooral aan hun dorstige kelen denken, hebben boven hun deur in grote zwarte letters geschilderd: In de grote Pint, In den zoeten inval. Een bepaalde versiering, die bijzonder de aandacht trekt, dien ik u nader te beschrijven. Het is een soort windmolen. Een dikke Duitser draait aan een rad en hoe feller de wind blaast, hoe vlugger de Duitser zijn wiel moet ronddraaien. Een klein Belgisch soldaatje richt kalm en bedaard een groot kanon op de vijand, waarop in grote letters te lezen staat: Wij zullen hem wel temmen.

Duivenhokken en hondenkotten van allerlei afmetingen en in de meest afwisselende vormen zijn er bij honderden.


Ons hele huis meet 2 bij 7 meter en de scheidingsmuren zijn 2 meter hoog. Het aantal kamers hangt af van de willekeur van de bewoners. In de meeste woningen zijn een, twee of drie vertrekken, onderling gescheiden door grijs linnen schermen. Een zitkamertje, klein, heel klein, met een venster, waar moeder rustig kan zitten naaien of breien aan een tafel zonder poten, wanneer de kinderen naar school zijn. Verder een of meer slaapkamertjes - maar dan zonder venster - al naar de grootte van het gezin. De ruimte, die nog overschiet, gewoonlijk een smal gangetje, wordt ingenomen door koffers, die volgepakt staan te wachten op de door allen rusteloos verbeide dag, dat elektrische prikkeldraad het overtrekken van de grenzen niet meer zullen bemoeilijken. Keuken, zolder en kelder hebben wij niet en hebben wij ook niet nodig, want het eten staat iedere morgen, middag en avond gereed op tafel.


Er zijn voorzeker mensen, vrienden en kennissen, die op het ogenblik in België in groter en geriefelijker huizen wonen en ook ik denk met weemoed aan mijn lief huisje, dat daar verlaten staat te wachten op onze terugkomst; maar wij weten allen ook - dagelijks komen er nog vluchtelingen uit België, aan wie je het kunt vragen - in welken droeve toestand onze broeders in het Vaderland verkeren. Er wordt wel eens geklaagd, maar hoeveel redenen hebben wij niet om te zwijgen of beter nog onzen dank te stamelen, omdat wij hier zorgeloos de dag van morgen tegemoet kunnen zien, terwijl zij ginder geen ogenblik zeker zijn, of zij morgen nog een stukje brood hebben voor hun huilende kinderen.

In onze communistische gemeente heeft zich ook al spoedig een kleine middenstand ontwikkeld, waarbij sommigen een gedeelte van hun woning hebben afgezonderd en ingericht tot winkel, waar alles, zowel gemarineerde haring en spek als suikerbollen of crème a la glacé te krijgen is. Kappers zijn er legio! En ze doen allemaal goede zaken! Zo wonen nu meer dan twee jaar ongeveer 6000 Belgen op de Udense hei, zij wachten en hopen, en hun kinderen groeien op te midden van de dennen, in blijde onbezorgdheid het lied van de jeugd zingend, nog niet begrijpend, dat zij eenmaal de dragers zullen zijn van het nieuwe leven, dat zij later Belgenland weer groot zullen maken, als nooit te voren.


 

SCHETSEN UIT HET VLUCHTOORD UDEN