Het vreemdelingenbeleid van de gemeente Tilburg tijdens de Eerste Wereldoorlog

Auteur: Kim Nagtzaam
Bron: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur - Jaargang: XXI (2003) Nummer: 3

Het vreemdelingenbeleid in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog was heel anders van opzet en uitvoering dan enig vreemdelingenbeleid in Nederland ooit. De hoofdoorzaak hiervan ligt in het feit dat Nederland in zeer korte tijd overspoeld werd door duizenden vluchtelingen. Hier was noch de regering, noch de vreemdelingenwetgeving op berekend. Men werd gedwongen ad hoc beleid te voeren, om op de een of andere manier de situatie tijdens de Eerste Wereldoorlog zowel voor de vluchtelingen als voor de Nederlandse bevolking zo leefbaar mogelijk te maken.

De Eerste Wereldoorlog had als aanleiding de moordaanslag op de Oostenrijkse troonopvolger, aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw, die op bezoek waren in Sarajevo op 28 juni 1914. De aartshertog Franz Ferdinand wilde in Sarajevo duidelijk maken dat de Bosnische bevolking niet moest zwichten voor de Servische druk om samen een Groot-Servië te vormen. Ook al was de moordenaar van de aartshertog en zijn vrouw een Bosniër, al snel werd duidelijk dat Servië achter de moordaanslag zat. Oostenrijk-Hongarije verklaarde daarom op 28 juli 1914 de oorlog aan Servië. Duitsland sloot zich aan bij Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Frankrijk voegden zich bij Servië. Voor de doortocht naar Frankrijk schond Duitsland de neutraliteit van België. Naar aanleiding daarvan verklaarde Groot-Brittannië ook de oorlog aan Duitsland. Nederland bleef tussen de strijdende buurlanden neutraal.(1)

Nationaal beleid
Al in het begin van de Eerste Wereldoorlog, in augustus 1914, brak er paniek uit onder de Belgische bevolking. De val van Luik was het eerste gevolg van de schending van de neutraliteit van België. Duizenden Belgische burgervluchtelingen staken de Nederlandse grens over waar ze aanvankelijk hartelijk werden ontvangen door de lokale bevolking. Het 'Nederlandsch Comité tot steun aan Belgische en andere slachtoffers' werd op initiatief van particulieren opgericht en er ontstonden meerdere initiatieven om de vluchtelingenopvang te organiseren. Deze organisaties konden de toestand al snel niet meer beheersbaar houden en de Nederlandse overheid sprong bij. Op 15 augustus 1914 werd bepaald dat onbemiddelde vluchtelingen op rijkskosten zouden worden onderhouden. De Nederlandse regering vond het belangrijk dat ze haar neutraliteit behield, er werd daarom streng opgetreden tegen ´ongewenste elementen´ onder de vluchtelingen die door een anti-Duitse stemming de neutraliteit van Nederland wel eens in gevaar zouden kunnen brengen. De regering liet vluchtelingenkampen inrichten en men was ervan overtuigd dat de opvang van vluchtelingen op deze manier beheersbaar en controleerbaar zou blijven. De troonrede van de Koningin van 15 september 1914 bevestigde dit idee.(2)

Nederland werd pas echt overspoeld door vluchtelingen toen op 7 oktober 1914 de stad Antwerpen aangevallen werd door de Duitsers. Precieze aantallen vluchtelingen zijn onbekend, maar alleen al in Brabant waren het er tienduizenden. In september eerder dat jaar was in de zuidelijke provincies de staat van oorlog afgekondigd, waardoor er een groot potentieel aan militairen aanwezig was in de provincies toen de vluchtelingenstroom extreme vormen aannam. Dankzij deze militairen werd de eerste opvang van de vluchtelingen niet meteen een catastrofe, maar de regering had wel in de gaten dat de situatie onhoudbaar werd. Derhalve werden er spreidingsoperaties gestart waarbij de vluchtelingen gratis met de trein naar het noorden mochten reizen. Toch bleef de toestroom van de vluchtelingen in het zuiden groter dan de doorstroom naar het noorden. Daarom werd er vanaf 12 oktober onderhandeld met het Antwerpse stadsbestuur en de Duitse bezetters over de terugkeer van de vluchtelingen. Tevens werd aan de burgemeesters van de betrokken Nederlandse steden aanbevolen de Belgen met zachte drang tot terugkeer naar hun vaderland te bewegen. Enkele duizenden Belgen keerden terug, enkele honderden trokken verder met de boot naar Engeland. De Nederlandse regering betaalde hun overtocht.


Het 'elektrische gordijn' tussen België en Nederland aan de grens bij Goirle, tijdens de Eerste Wereldoorlog. (Coll. RHC Tilburg).

Naast de Belgische burgervluchtelingen kwamen er ook nog eens 40.000 Belgische militaire vluchtelingen naar Nederland. Deze groep militairen was weliswaar kleiner dan de groep burgervluchtelingen, maar hun aanwezigheid bracht een groot probleem met zich mee. Nederland wilde namelijk kostte wat kost zijn neutraliteit bewaren en voorkomen dat de oorlog zich uitbreidde naar eigen grondgebied. Op de tweede Vredesconferentie te Den Haag in 1907 had de Nederlandse regering een verdrag gesloten waarin de mogelijkheden om duurzame vrede te bevorderen en oorlog te voorkomen waren vastgelegd. (3) Deze mogelijkheden behelsden onder andere de afspraak dat alle oorlogvoerende militairen die de grens hadden overschreden, ontwapend en geïnterneerd moesten worden. Met interneren bedoelde men het neutraliseren van de troepen van de oorlogvoerende partijen. Het had een ander doel dan krijgsgevangenschap, waarbij men de tegenpartij probeerde te verzwakken. De militaire vluchtelingen werden, net als de burgervluchtelingen, naar kampen gebracht die men ´interneeringsdepots´ noemde. In het begin van de oorlog kwam het voor dat men zowel Duitse als Belgische soldaten in één depot plaatste.

Vanaf december 1918, na het tekenen van de wapenstilstand door België, begon de repatriëring van de Belgische geïnterneerden. Op grond van het verdrag van de tweede Vredesconferentie van 1907 was België verplicht de kosten van internering terug te betalen aan Nederland. Dit was problematisch aangezien België door de oorlog geruïneerd was en Nederland een rekening van maar liefst 53 miljoen gulden had ingediend.(4) Pas op 31 december 1937 was de rekening geheel afgelost.(5)

Vreemdelingen in Tilburg: Het Tilburgs Vluchtelingencomité
Toen het in augustus 1914 tot de Tilburgse bevolking doordrong dat er een grote Europese oorlog was uitgebroken en dat de neutraliteit van buurland België gevaar liep, brak er onrust in de stad uit. De burgemeester van Tilburg, de heer Raupp, verklaarde in de Tilburgse Courant dat de bevolking kalm moest blijven en dat men menslievendheid moest tonen wanneer Belgische vluchtelingen of gewonden naar Tilburg zouden trekken. De Belgische vluchtelingen kwamen al druppelsgewijs over de grens, maar na de val van Luik en Antwerpen werd Tilburg werkelijk overspoeld door Belgen. Zowel burgers als soldaten kwamen in groten getale het land in, te voet, met karren en met de trein. In het begin werden de vluchtelingen nog opgevangen en naar het Rode Kruis gebracht, zodat ze gevaccineerd konden worden. Maar al snel werd hun aantal zo groot dat de situatie niet langer beheersbaar of controleerbaar was. Naar aantallen kon men slechts gissen, er zijn wel tellingen verricht maar een compleet beeld pretenderen die niet te geven. In augustus en september 1914 schommelde het aantal tussen de 13.000 en 15.000 vluchtelingen. In oktober 1914 waren er nog ongeveer 10.000 Belgen in Tilburg. Vanaf november nam het aantal sterk af. Een aantal mensen keerde terug naar België, een aantal reisde door naar Groot-Brittannië en tegelijkertijd trachtte de Nederlandse regering de vluchtelingen over Nederland te verspreiden.


Aankomst van Belgische vluchtelingen op het station van Tilburg, oktober 1914. (Coll. RHC Tilburg).

In september 1914 werd in Tilburg het eerste onofficiële Tilburgse Vluchtelingencomité opgericht. Het comité zetelde in het gebouw van de R.K. Gildenbond en hield elke ochtend spreekuur om inlichtingen aan de vluchtelingen te verstrekken. Overal in de stad werden advertenties opgehangen om de bevolking op te roepen tot barmhartigheid ten aanzien van de vluchtelingen. Ook werden er kledinginzamelingen georganiseerd en droeg het comité bij aan de geestelijke verzorging van de vluchtelingen. Behalve deze initiatieven van het comité was er nog een aantal andere activiteiten in gang gezet ten bate van de vluchtelingen. In samenwerking met het Comité Tilburg van het Nederlandse Rode Kruis (dat aanvankelijk de vaccinaties verstrekte) werd Belgisch geld van de vluchtelingen door het comité gewisseld om woeker tegen te gaan. In oktober 1914, nog vóór de val van Antwerpen, sloegen alle activisten de handen ineen en richtten het Tilburgs vluchtelingencomité op, een officiële afdeling van het Nederlandsch Comité tot steun van Belgische en andere slachtoffers. Dit door particulieren opgezette Comité zou gedurende de hele oorlog in stand blijven en de vluchtelingen ondersteunen. Zij verzorgden niet alleen materiële zaken zoals kleding en huisvesting, maar droegen ook zorg voor onderwijs en geneeskundige hulp aan de vluchtelingen. Zij kregen veel steun van de plaatselijke bevolking.(6)

Uiteraard kon het Comité het niet alleen redden met de steun van de bevolking. De hulp van militairen, politie en stationspersoneel was zeker de eerste weken onontbeerlijk om de grote stroom vluchtelingen op te vangen. Tevens was het gemeentebestuur een belangrijke actor in het netwerk. Het Comité sprak in zijn jaarverslag van 1914 over botsende belangen van het college van B en W en het Comité zelf. Het college van B&W had voor alles het gemeentebelang op het oog, het Comité het vluchtelingenbelang. Toch gingen de maatregelen van het college van B en W uiteraard voor. Er was sprake van veel overleg en discussie, waarbij de tact van één wethouder in het bijzonder, de heer Ackermans, genoemd werd.


Het Tilburgse Vluchtelingencomité 1914-1915, onder voorzitterschap van Frans Verbunt (zittend derde van links). Zittend uiterst rechts kapelaan Lambert Poell, voorzitter van de onderwijscommissie. (Coll. RHC Tilburg).

Overige actoren in het netwerk van het lokale vluchtelingencomité waren de regeringscommissaris voor Zeeland en Noord-Brabant de heer Ruijs de Beerenbrouck, met wie men besprekingen voerde, het Nederlandse vluchtelingencomité waar het Tilburgse Comité een afdeling van was, het Provinciale vluchtelingencomité waarmee men correspondeerde, de Belgische consul uit Breda van wie men maandelijks geld kreeg voor de Belgische soldaten, een Belgisch comité dat allerhande steun verleende zoals hulp bij het inwisselen van geld, en het bestuur van de N.K. Harmonie dat lokalen, stoelen en tafels aanbood voor vergaderingen.(7)

Beleid van het gemeentebestuur van Tilburg
Intussen zat het gemeentebestuur ook niet stil. Er zijn ontzettend veel beleidsstukken en plannen geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Behalve de structurele maatregelen die de gemeente trof, zoals het bouwen van vluchtoorden of het verstrekken van voedsel en kleding, trof de gemeente met name ad-hocmaatregelen naar aanleiding van incidenten. Een voorbeeld: als bleek dat de vluchtelingen zich verveelden en daarom baldadig werden, had de lokale bevolking daaronder te lijden. De Tilburgse bevolking klaagde daarover, de Tilburgsche Courant wijdde er een artikel aan, het gemeentebestuur pakte dit op en schreef een nota over mogelijke lichtbeeldvertoningen of ander soort vermaak. Op deze wijze zijn over de meest uiteenlopende onderwerpen beleidsstukken geschreven en besproken door het gemeentebestuur, waarna er maatregelen zijn genomen om de situatie te veranderen .(8)

De meest ongastvrije tijdelijke maatregel die het gemeentebestuur trof, was wel de intrekking van de uitkeringen aan de Tilburgers die onderdak boden aan vluchtelingen, tussen eind oktober 1914 en januari 1915. Half oktober werden de Belgische vluchtelingen opgeroepen om terug te keren naar Antwerpen, omdat België weliswaar onder Duitse bezetting was, maar niet langer onveilig zou zijn. Zowel bestuurders uit Antwerpen als de burgemeester van Tilburg de heer Raupp, en de minister van Binnenlandse Zaken de heer Cort van der Linden, kondigden meerdere malen aan dat de weg naar Antwerpen, en later naar heel België weer veilig was voor de vluchtelingen en drongen erop aan te vertrekken. De vluchtelingenstroom kwam echter nauwelijks op gang. Dit had te maken met het feit dat de Belgen de situatie niet vertrouwden. Met name de mannen weigerden om terug te gaan, uit angst voor krijgsgevangenschap. Daarom besloot het gemeentebestuur van Tilburg hardere maatregelen te nemen. Op 22 oktober 1914 deelde burgemeester Raupp mee dat het college van B en W had besloten om vanaf 25 oktober 1914 geen vergoeding meer toe te kennen aan Tilburgse inwoners die aan onbemiddelde Belgische vluchtelingen onderdak boden.(9)


Belgische vluchtelingen op het perron van het station van Tilburg, oktober 1914. (Coll. RHC Tilburg).

De gemeente was vrij in het nemen van deze beslissing, ook al waren de kosten die gemaakt werden voor de vluchtelingen, verhaalbaar op de rijkskas. Omdat Tilburg in de grensstreek lag, waren er behalve vluchtelingen uit België, ook vele gemobiliseerde Nederlandse militairen in de stad ondergebracht. De textielfabriekshallen waren al zo goed als vol met Nederlandse soldaten toen de vluchtelingen naar Tilburg kwamen.(10) Het ging het bestuur dus niet zozeer om het geld, als wel om de overlast en de huisvestingsproblemen die de vluchtelingen de stad bezorgden. Door deze maatregel zetten vele particulieren hun ´gasten´ op straat, waarna er voor de Belgen niets anders op zat dan terug te keren naar België of verder te trekken naar vluchtoorden in Nederland. Voor de terugkeer naar België moesten de vluchtelingen van de Duitse bezetter wel een legitimatiebewijs bij zich hebben. Alleen Duitse consulaire ambtenaren mochten deze verstrekken. Dit veroorzaakte een hoop administratief over-en-weer geschrijf tussen Tilburg en de Duitse consul in Rotterdam, en onduidelijkheid voor de vluchtelingen. Het Tilburgs Vluchtelingencomité lag over deze toestanden in de clinch met de gemeente. Na lang aandringen heeft het gemeentebestuur de maatregel op 1 januari 1915 ingetrokken, er werden weer uitkeringen verstrekt op kosten van de regering. Maar het grootste aantal vluchtelingen was toen reeds vertrokken of ondergebracht in vluchtoorden.

Aan een drietal onderwerpen heeft het gemeentebestuur van Tilburg tijdens de Eerste Wereldoorlog uitvoerig aandacht besteed. Er zijn naar aanleiding daarvan ook meerdere maatregelen voor de lange termijn genomen. Deze drie terugkerende onderwerpen waren de huisvesting van de geïnterneerde soldaten en de burgervluchtelingen, de financiën aangaande de geïnterneerde soldaten, burgervluchtelingen en Duitse deserteurs en de gezondheidszorg ten behoeve van de geïnterneerde soldaten en burgervluchtelingen.

Huisvesting
De huisvesting van de geïnterneerde soldaten en burgervluchtelingen was een grote zorg voor het gemeentebestuur. In november 1914 moesten de vluchtelingen die gehuisvest waren in fabriekshallen, scholen en magazijnen plaatsmaken voor nog meer gemobiliseerde Nederlandse militairen. Ze werden ondergebracht in het Trappistenklooster en het jongenspatronaat, waar ze met grote aantallen boven op elkaars lip zaten. Ook de zusters Ursulinen en de zusters van Liefde werd verzocht om vreemde militairen op te vangen en te verzorgen totdat ze doorvervoerd zouden worden naar interneringsplaatsen elders in Nederland. De burgemeester schreef de zusters persoonlijk een brief en wees hun erop dat het niet verstandig was om de Franse, Britse en Belgische soldaten in dezelfde ruimte onder te brengen als de Duitse soldaten.(11) Begin 1916 liet de regeringscommissaris van Zeeland en Noord-Brabant, de heer Ruijs de Beerenbrouck, weten dat de opvangruimtes ontruimd moesten worden in beide provincies en dat de onbemiddelde vluchtelingen ondergebracht moesten worden in de net afgebouwde vluchtoorden te Ede, Uden en Nunspeet (strafkamp). Wanneer dit gebeurd was, zou de vergoeding van rijkswege aan particulieren voor onderdak ophouden, zodat er dan geen nieuwe onbemiddelde vluchtelingen meer bij zouden komen of terug zouden keren vanuit de kampen.(12)


Kledinginzameling voor de Belgische vluchtelingen door het comité onder leiding van mevr. Cor Brouwers-van Waesberghe (tweede van rechts), lid van het Belgische Vluchtelingencomité 1914-1915. (Coll. RHC Tilburg).

Het Tilburgs Vluchtelingencomité maakte zich opnieuw sterk voor de vluchtelingen en zorgde ervoor dat Ruijs de Beerenbroeck zijn maatregelen afzwakte. De vluchtelingenlokalen zouden pas half maart ontruimd worden, het Vluchtelingencomité hoefde niet op te houden met het onderhouden van onbemiddelde vluchtelingen die ofwel door ziekte, ofwel wegens hun stand niet ondergebracht konden worden in de kampen. Nadat er op 29 maart nog een afscheidsfeest georganiseerd werd voor de Belgische vluchtelingen, vertrok het grootste deel naar Uden en Ede. De ongewenste elementen werden naar Nunspeet gebracht. De vluchtelingen die in Tilburg achterbleven, waren veelal bemiddelde Belgen die in hun eigen onderhoud konden voorzien, zieken of armen van hoge stand die vanwege hun goede gedrag niet naar een kamp hoefden maar waarvoor in de stad onderdak werd gezocht, en tot slot een kleine groep Duitse deserteurs.(13) Ook bleef een aantal geïnterneerde Belgische soldaten achter. In 1916 werden er in Tilburg acht houten huisjes geplaatst voor 27 gezinnen van geïnterneerde Belgische soldaten. (14)

In 1917 werd de burgemeester benaderd door de generaal-majoor, hoofd van de afdeling Internering in Nederland, met de vraag of hij in zijn gemeente nog meer geïnterneerden kon onderbrengen en eventueel ook krijgsgevangenen en burgervluchtelingen. De burgemeester antwoordde heel stellig dat er in Tilburg absoluut geen plaats was voor nog meer vreemdelingen. Er waren nog steeds honderden Belgische gezinnen in de stad, in hotels, pensions en bij particulieren. Bovendien zaten de openbare ruimtes, fabriekshallen en dergelijke vol met gemobiliseerde Nederlandse soldaten, en was er nog een aantal geïnterneerde Belgische soldaten ondergebracht in paviljoens en andere opvanggelegenheden. Tilburg was na drie jaar Eerste Wereldoorlog nog steeds vol met vluchtelingen en soldaten.(15)

In 1918, toen het einde van de Eerste Wereldoorlog in zicht kwam, vertrokken de meeste Belgische vluchtelingen uit de stad, terug naar België. Ook de geïnterneerde soldaten keerden vanaf december terug. De Franse vluchtelingen bleven nog wat langer, maar in februari 1919 waren ook de meeste Franse vluchtelingen uit Tilburg vertrokken.(16) Toen het vluchtoord in Uden werd opgeheven in juni 1919, mochten de vluchtelingen die daar nog woonden en niet naar huis wilden of konden, zelf aangeven in welke gemeente ze voortaan wilden verblijven in Nederland. Deze mensen kregen dan acht maanden rijksonderstand waarna ze hun eigen boontjes moesten doppen, of alsnog terug moesten keren naar het land van herkomst. In Tilburg kwamen er om deze reden tien gezinnen en vier alleenstaande personen, in totaal 54 mensen, wonen. Ze werden in barakken geplaatst omdat de woningnood in Tilburg groot was wegens een stijgende bevolkingsgroei. De barakken hadden geen kachel of meubels, de woontoestand van de vreemdelingen was dan ook nijpend totdat het Burgerlijk Armenbestuur van Tilburg op aandringen van de gemeente in september 1919 ingreep en betere voorzieningen trof.(17)

Houten noodwoningen uit de Eerste Wereldoorlog voor de Belgische vluchtelingen in de Wichmansstraat. Deze woningen zijn in de jaren twintig afgebroken. (Coll. RHC Tilburg).

Financiën
De financiën voor de geïnterneerde soldaten, burgervluchtelingen (zowel Belgen als Fransen) en Duitse deserteurs zijn tijdens de Eerste Wereldoorlog nauwkeurig door de gemeente bijgehouden. Dit moest ook wel omdat de gemeente alleen die kosten kon verhalen waarvan nauwkeurige rekeningen waren opgemaakt. Er zijn dan ook rekeningen terug te vinden die tot in de kleinste details zijn uitgewerkt.(18) Regelmatig werden er uitgaven niet terugbetaald, omdat er iets niet klopte in de boekhouding. De minister van Binnenlandse Zaken was erg secuur in de beoordeling van de aanvragen. Herhaaldelijk werd er via de Commissaris van de Koningin door de minister op gewezen dat men de kosten zo laag mogelijk moest houden. Ook waren het Vluchtelingencomité, de hoofden van de vluchtoorden te Uden, Ede en Nunspeet en de inspecteur der Volksgezondheid te Nijmegen betrokken bij de financiën. De reiskosten van die vreemdelingen die terugkeerden naar hun land van herkomst konden worden verhaald op hun eigen regering, net als kosten voor de Belgische en Franse vluchtelingen die na de Eerste Wereldoorlog nog in Tilburg verbleven.(19) Dit waren burgers en soldaten die in verband met hun gezondheid nog niet terug konden keren naar huis. De gemeente moest dan zelf achter de openstaande rekeningen aan, want noch het Rijk, noch de provincie bood ondersteuning hierin. In 1920 heeft de gemeente Tilburg de laatste declaraties verstuurd naar de Commissaris van de Koningin. Op dat moment was er nog maar één Belgische vluchteling over in Tilburg, voor zover bekend bij het gemeentebestuur.(20)

Gezondheidszorg
De gezondheidszorg ten behoeve van de geïnterneerde soldaten en burgervluchtelingen was de derde kwestie waar de gemeente zich regelmatig mee bezighield. In het begin van de Eerste Wereldoorlog probeerde men iedere vluchteling die binnenkwam in de stad meteen te vaccineren bij het Rode Kruis. Toen de vluchtelingenstroom te massaal werd lukte dit niet meer. Men ging door met de vaccinaties maar kon lang niet alle vluchtelingen behandelen. Omdat de medische kosten door het Rijk werden vergoed, werden ook hier weer rekeningen van bijgehouden en opgestuurd naar de Commissaris van de Koningin. De artsen en apothekers mochten alleen rekeningen indienen tegen armentarief.(21) Wanneer een dure behandeling noodzakelijk was, moest de arts eerst toestemming vragen aan de inspecteur van de Volksgezondheid te Nijmegen. In Tilburg waren twee artsen aangesteld voor de behandeling van onvermogende vluchtelingen. De twee vluchtelingen-artsen, dokter Proot en dokter Bloemen, verrichtten vrijwel alle mogelijke medische handelingen. Ze waren huisarts, chirurg en fysiotherapeut tegelijk. Alleen bevallingen werden door vroedvrouwen verricht. Regelmatig kregen de artsen hun rekeningen onbetaald terug van het Rijk omdat ze te hoge kosten hadden gemaakt, of omdat ze verkeerde tarieven hadden gehanteerd. Met name dokter Proot moest het nogal eens ontgelden. De Belgische vluchtelingen waren overigens niet erg te spreken over de twee artsen. Er zijn klachten ingediend, en vluchtelingen die genoeg geld hadden om zelf een dokter uit te kiezen deden dat onmiddellijk. Vanaf april 1919 konden de kosten voor geneeskundige hulp aan vluchtelingen die door hun fysieke gesteldheid nog niet terug waren gekeerd naar België, niet langer verhaald worden op de Nederlandse overheid, maar wel op de Belgische. Ook de kosten voor de terugreis van een vluchteling die was opgeknapt moesten verhaald worden bij de Belgische overheid.(22)

Een bijzondere oorlogsaangelegenheid na 1918
De Eerste Wereldoorlog heeft uiteraard een nasleep van jaren gehad. Niet alleen voor de oorlogvoerende landen, maar ook voor Nederland en specifieker nog, voor de gemeente Tilburg. Aan één aangelegenheid is door het Tilburgse gemeentebestuur na afloop van de Eerste Wereldoorlog nog bijzonder veel aandacht en zorg besteed. Dat is aan de graven van enkele Belgische en Franse oorlogsslachtoffers op begraafplaatsen in Tilburg, die, jaren nadat ze begraven waren als vluchtelingen, werden opgeëist door familie.

Tussen 1921 en 1923 is er correspondentie gevoerd over vier graven van Belgische militairen tussen de regering van België, de burgemeester van Tilburg, de minister van Binnenlandse Zaken, het comité ´Souvenir Belge´, waarvan de Belgische consul te Tilburg de voorzitter was, en het bestuur van Rooms-Katholieke begraafplaats Den Besterd. De familie van de Belgische soldaten die in Tilburg begraven waren, wilde de graven verplaatsen naar België. De minister van Binnenlandse Zaken heeft aan de burgemeester van Tilburg gevraagd of hij hiervoor kon zorgen. Het parochiebestuur werd benaderd omdat men aanvankelijk dacht dat zij de graven in beheer had. Dit bestuur maakte van de gelegenheid gebruik om voorwaarden aan het vervoer van de graven te stellen: de graven mochten verplaatst worden op voorwaarde dat het gemeentebestuur de begraafplaats niet op zou heffen. Hier was dus blijkbaar sprake van. Al snel bleek echter dat niet het parochiebestuur, maar het comité ´Souvenir Belge´ zijn toestemming moest verlenen. Dit heeft het gedaan en de graven zijn in 1923 verplaatst naar België. De burgemeester heeft voor de benodigde vervoersvergunningen gezorgd, de kisten zijn opgegraven en in zinken lijkkisten overgezet, waarna ze naar België zijn gebracht.(23) Tevens zijn er tussen 1922 en 1925 stoffelijke overschotten opgevraagd van Franse oorlogsslachtoffers die in Tilburg begraven waren bij de kerk van parochie het Heike. De minister van Binnenlandse Zaken heeft namens de Franse regering dit verzoek doorgespeeld naar de burgemeester van Tilburg. Deze heeft op zijn beurt weer toestemming gevraagd aan de pastoor van parochie het Heike. De graven zijn na lange tijd kosteloos opgegraven en vervoerd naar Frankrijk.(24)

Bovenstaande gebeurtenissen laten zien dat de regeringen van België en Frankrijk, tot jaren na de Eerste Wereldoorlog, zeer zorgvuldig omgingen met hun oorlogsslachtoffers en begaan waren met de achtergebleven familieleden. De Nederlandse regering stelde zich solidair op en verleende alle hulp die nodig was om de graven te verplaatsen, al ging er nogal wat correspondentie over en weer voordat alles geregeld was.


Kim Nagtzaam (1979) is in maart 2003 afgestudeerd voor de opleidingen Nederlands recht en Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. In het kader van haar rechtshistorische en bestuurskundige afstudeerrichting heeft zij twee scripties geschreven over het vreemdelingenbeleid in Nederland vanaf de eerste Vreemdelingenwet (1849) tot aan de Tweede Wereldoorlog. Hiervoor heeft zij stage gelopen bij het Rechtshistorisch Centrum van Tilburg, en werd ze begeleid door de heer J. Boeren (RHCT), mevrouw B. Van Erp-Jacobs (UvT) en de heer S. Zouridis (UvT). Dit artikel is een korte samenvatting van haar rechtshistorische scriptie.
Momenteel is zij werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als beleidsmedewerker op de afdeling Bestuur en Wetgeving en houdt zij zich bezig met de rechtspositie van politieke ambtsdragers en integriteitsbeleid.

Noten
(1) E. de Roodt, 'Oorlogsgasten. Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog', Zaltbommel: Europese Bibliotheek 2000, p. 13-14.
(2) ´Diepbegaan met het lot van alle volken, die in den krijg zijn meegesleept, draagt Nederland de buitengewone lasten, die het worden opgelegd, gewillig en ontvangt met open armen alle ongelukkigen, die binnen zijn grenzen een toevlucht zoeken'.
(3) http://www.planetwork.org/planetwork.org_haagsvrede.html
(4) H.W. von der Dunk e.a., 'Vluchten voor de groote oorlog, Belgen in Nederland 1914-1918', Amsterdam: De Bataafsche leeuw 1988, p. 64-65.
(5) Nederland heeft nooit een rekening ingediend voor de kosten van de burgervluchtelingen, die op 45 miljoen gulden werden beraamd.
(6) Voorbeelden hiervan: de Tilburgse padvinders en damescollectanten zamelden geld in voor de vluchtelingen en de telefoonmaatschappij verzorgde een gratis telefoonaansluiting in het gebouw waar het comité gezeteld was.
(7) Zie het Eerste Verslag van het Tilburgsch Vluchtelingen-Comité uit 1915, te vinden als bijlage in het volgende archiefstuk: RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1908-1937, nr. B17-18-19, 'Jaarverslag gemeente 1914', 1914.
(8) Om nog een aantal onderwerpen te noemen: er zijn beleidsstukken over besmettelijke ziekten bij vluchtelingen en hoe daarmee om te gaan geschreven, over logistieke zaken zoals het vervoeren van de vluchtelingen naar vluchtoorden of het terugbrengen naar België, over de toestand van de publieke vrouwen onder de vluchtelingen, over de Belgische onderwijzers die de Belgische kinderen moesten onderwijzen en ga zo maar door.
(9) Tilburgsche Courant 22 oktober 1914.
(10) A.M.P. Kleijngeld, 'Gemobiliseerde militairen in Tilburg tijdens de Eerste Wereldoorlog', Tilburg: Stichting Zuidelijk Historisch Contact 1983, p. 55-68.
(11) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 335, 'afdeling II. Declaratiekosten vreemde militairen', 1914.
(12) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 113, 'Afdeling II. Onderstand Belgische vluchtelingen', 1916.
(13) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 752, 'Lijst van Duitsche deserteurs welke zijn gevestigd in de gemeente', 1917.
(14) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 760, 'Stukken betreffende de huisvesting van Belgische geïnterneerden', 1916.
(15) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 756, 'Stukken betreffende de opvang, ondersteuning en TBC-gevallen van Belgische vluchtelingen in 1917', 1917.
(16) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 187, 'Afdeling I. Ontruiming fabriek van Van Puijenbroeck aan de Goirleschen weg. Franse vluchtelingen', 1919.
(17) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 349, 'Afdeling I. Mobilisatie. Diversen. Opheffing vluchtoord Uden', 1919.
(18) Bijvoorbeeld: RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 188, 'Afdeling II. Declaratie onderstand van Duitsche deserteurs', 1917, en RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 145, 'Onderstand Belgische vluchtelingen', 1917
(19) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 222, 'Afdeling I. terugkeer naar België van Belgische vluchtelingen', 1919.
(20) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. F018/12, 'Financiën/Declaratën ten bate der gemeente. Onderstand aan vluchtelingen afdeling II', 1918.
(21) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 31, 'Financën geneeskundige hulp voor vluchtelingen', 1918.
(22) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. 72, 'Afdeling II. Geneeskundige hulp aan vluchtelingen', 1919 .
(23) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg 1907-1937, nr. D041/14, 'Graven van Belgische militairen binnen de gemeente afdeling I', 1921-1923.
(24) RHCT: Secretariearchief gemeente Tilburg nr. 871, 1907-1937, nr. D041/32, 'Graven van Fransche oorlogsslachtoffers afdeling I', en nr. B014/02, 'Vervoeren en opgraven van lijken Fransche onderdanen', 1922.

Bron: http://www.historietilburg.nl/tijdschrift/6.1/582.htm