Het Vluchtoord Uden

uit: België in Nederland 1914-1919 -  door R.W.R. Verdeyen

4. DE BEVOLKING.


Officieel geldt de 18e februari 1915 als de openingsdag van het Vluchtoord Uden. Vanaf 12 februari waren evenwel enige vluchtelingen aangekomen om te helpen bij het treffen van de voorbereidende maatregelen voor de aankomst van de verbeide duizenden bewoners. De geregelde aanvoer begon op 18 februari en van die dag af kwamen dagelijks transporten aan, waarvan de getalsterkte afwisselde tussen 1 en 350. Evenals dit te Hontenisse was geschied, kwamen zij uit tal van gemeenten in Noord-Brabant, Zeeland en ook Limburg: Baarle-Nassau, 's-Hertogenbosch, Bergen-op-Zoom, Tilburg, Roosendaal, Breda, Vlissingen, Middelburg, e.a., waar zij niet langer konden worden gehuisvest. Een groot contingent leverde de douaneloods te Baarle-Nassau, waar hoofdzakelijk bewoners uit de nabij liggende grensgemeenten waren ondergebracht; bijna allen behoorden zij tot de fabrieksarbeidersstand. Zij alléén vulden verscheidene barakken en een gehele eetzaal, welke om haar woeligheid spoedig bekend was. Onder deze overigens arbeidzame bevolking trof men het grootste aantal analfabeten aan en zij leverde bijna uitsluitend de krachten voor het kantwerk-atelier.

Geen enkele andere groep vluchtelingen heeft zodanig de aandacht tot zich getrokken en telkens als men ermee in aanraking kwam, bleek hoezeer die fabrieksbevolking, zonder dat zijzelf het besefte, en dit was wel de treurigste indruk die men er van bewaarde, gebukt ging onder maatschappelijke misstanden, die haar dreef tot ruwe uitspattingen en zuiver materiële bevrediging. Zonder enige overdrijving durf ik te zeggen, dat het vluchtoord op haar een heilzame invloed heeft uitgeoefend. Ik meen althans een sterk bewijs hiervoor te vinden in het feit, dat men op zekere dag tot de ontdekking kwam, dat zij niet meer opviel en de omgeving haar scherpste kanten had afgeraspt. Een nog groter aantal vluchtelingen was afkomstig uit Antwerpen en voorsteden en uit de omliggende gemeenten. De andere vluchtelingen kwamen, voor een niet gering gedeelte uit de geteisterde streken, uit Mechelen, Aerschot, Lier, Visé en verder uit de meest uiteenlopende Belgische plaatsen. Uit een met het oog op het vertrek naar België in november l918 gedane telling is gebleken, dat niet minder dan 226 Belgische gemeenten als laatste verblijfplaats van vluchtelingen op het registratiekantoor waren ingeschreven, en daarvan zijn er ettelijke uit het Walenland.

Door de band behoorden de bewoners tot de arbeidersstand; fabriek-, dok- en grondwerkers waren het talrijkst vertegenwoordigd en daarnaast trof men gewone ambachtslieden (timmerlieden en smeden) aan, spoorwegpersoneel, bedienden, kleine burgers, en ook wel renteniers.

Het geheel vormde een bonte verscheidenheid van mensen van allerlei slag, waarvan elke groep met zich medebracht de begrippen en gewoonten, eigen aan haar stand en ontwikkeling.

Het was een gewaagde onderneming al die uiteraard zo uiteenlopende elementen met en naast elkaar te doen leven in een betrekkelijk beperkte ruimte. Zonder botsingen is het dan ook niet gegaan, maar ernstige stoornis werd nooit verwekt en achteraf beschouwd wil het mij voorkomen, dat het welslagen van de onderneming grotendeels te danken was aan het eigenaardige stelsel van het vluchtoord, dat allen vreemd was en van elk een vernieuwde inspanning vereiste om zich in de nieuw op te bouwen maatschappij van het vluchtoord een behoorlijke plaats te veroveren.

Hoe de bevolking van het vluchtoord langzamerhand steeg blijkt uit de onderstaande gegevens en eigenaardig is het om daarbij na te gaan, hoe zekere fluctuaties verband hielden met de oorlogsomstandigheden.

Vanaf 18 februari steeg de bevolking geleidelijk, op normale wijze, tot 5675 einde december 1915. Van januari 1916 tot juni 1916 daalt het bevolkingscijfer tot 5400 om verder met lichte schommelingen opnieuw te stijgen tot 7021, het hoogste aantal, in november 1918. Naar schatting werd in het vluchtoord op 10.000 bewoners gerekend en het bouwen van de woonbarakken was op dat aantal gebaseerd. Vele vluchtelingen voelden echter weinig voor een verblijf in een vluchtoord en toen in mei 1915 de ontruiming van de dorpen in Noord-Brabant en Zeeland werd aangekondigd, verkozen de mesten terug te keren naar België of teerden zij op eigen kosten voort, totdat hun laatste spaarcenten waren verbruikt. Van de duizenden verwachte vluchtelingen kwamen er haast geen. Dit had voor gunstig gevolg, dat met de beschikbare ruimte niet meer gewoekerd moest worden. In plaats van 10 personen deelde men er maar 8 per cabine in, zodat het samenwonen van verschillende gezinnen tot een minimum kon worden teruggebracht. In augustus 1915 werden zelfs twee woonbarakken, die aan de Landingsweg, afgestaan aan het militaire kamp te Harscamp.

In juni 1915 kwamen plotseling 64 personen uit Turnhout opdagen. Zij hadden van een vrolijke feeststemming van de Duitsers over de verovering van Przemysl gebruik gemaakt om over de grens te komen. Toen de grensbewaking strenger werd en de onmeedogende draad overal werd gespannen, was er een toevloed van grensbewoners. de In december 1915 kwamen er niet minder dan 50 personen uit Raevels en wat later werden zij gevolgd door tal van bewoners uit de grensgemeenten Putte, Stabroeck, Stekene enz.

In februari 1916 werden er 61 overgebracht uit Hulst, in maart 105 uit Roosendaal.

In mei 1916 noodzaakten de duurte en de schaarste van de levensmiddelen in Duitsland vele Nederlandse gezinnen, welke in de Rijnstreek in de fabrieken werkten, de weg naar Nederland in te slaan om er een onderkomen te vinden. Zij hoopten in hun vaderland aan de arbeid te kunnen gaan in de spinnerijen en weverijen, maar de werkloosheid was op dat ogenblik in de Nederlandse textielfabrieken reeds zo groot, dat slechts weinigen er in slaagden werk te vinden en enkelen, die werk hadden weten te verkrijgen, moesten het weer laten gaan, daar zij, wegens de heersende woningnood, geen onderdak wisten te bemachtigen. Zo werden de vluchtoorden hun als tijdelijke verblijfplaats aangewezen. De groei van de bevolking van juni 1916 af is hoofdzakelijk aan hun aankomst te wijten.

Zodra de Duitsers met het deporteren van de Belgen aan de gang waren, trachtten vele landgenoten over de elektrische draad te vluchten om zich naar Frankrijk of Engeland te begeven. Niet allen, die veilig op Nederlands grondgebied aanlandden, konden dadelijk worden ingescheept. Tijdelijk vonden zij dan een onderkomen in het vluchtoord. In november 1916 kwamen er uit Welkenraedt ongeveer 30 binnen, waarvan 12 staatsspoorwegbedienden, welke spoedig weer verdwenen. Tot in de eerste maanden van 1918 huisvestte het vluchtoord vrij geregeld mannen, welke over de grens waren gekomen of uit Duitse gevangenschap ontsnapt. Hun aantal had evenwel geen noemenswaardige invloed op het cijfer van de bevolking, wel de aankomst van de Nederlanders uit België vanaf mei 1917. Wegens de benarde toestand in België, de duurte en de werkloosheid, konden vele Nederlanders, welke nochtans node hun geliefde tweede vaderland verlieten, (dit bleek heel spoedig aan geheel hun doen en laten) het niet langer uithouden en moesten ook zij de weg naar Nederland op. Zij kwamen meestal uit het Walenland en voelden zich al heel gauw thuis in hun nieuwe Belgische omgeving. Van hun uit Duitsland afkomstige landgenoten kon dit niet worden gezegd. Deze brachten veelal uitgesproken sympathieën met zich mede voor het de Belgen vijandige land, waar zij jaren hadden gewoond en een zekere Duitse stramheid, welke klaarblijkelijk aan de militaire omgeving niet vreemd was. Hun vrouwen waren dikwijls Duitse, hun kinderen waren half Duits, en hun taal was een mengelmoes van Duitse en Hollandse dialecten, waarin het Duits overwegend was. Langzamerhand gingen ze opnieuw aan 't verhollandsen, vooral de kinderen, en kwamen hun Hollandse karaktertrekken toch weer boven drijven.

In het begin gaf hun aankomst aanleiding tot wrijvingen en onenigheden. Een van de vrouwenateliers stond op zekeren morgen overeind, omdat enkele "Duitse" meisjes zich tot het zingen van Duitse liederen hadden laten verleiden. De Belgische naaisters hadden dit als een provocatie beschouwd en er dreigde een handgemeen. Het onweer kon nog tot bedaren worden gebracht, maar de Duitse liedjes bleven achterwege. Spoedig ook kwamen de Belgische vluchtelingen hunnerzijds tot het besef, dat hun Hollandse medebewoners, evenals zij, slachtoffers van de oorlog waren en allerminst uit vrije wil in het vluchtoord hun intrek hadden genomen.

De "Duitse Hollanders" - zo werden zij genaamd - zagen in, dat het gewenst was zekere fijngevoeligheden van de Belgen liever niet te kwetsen en aldus konden twee, in aard en affiniteiten zo zeer van elkaar verwijderde, elementen in vrede naast elkaar leven, omdat zij wederzijds gevoelden, meer instinctmatig dan beredenerend, hoe het niet te keren noodlot hen allen hier als machteloze schipbreukelingen had uitgeworpen.

Toch bleef tussen beide groepen een opvallend verschil bestaan. Van de Nederlanders, met name de "Duitse", kan niet worden gezegd, dat zij zich even gemakkelijk aan de vluchtoordtoestanden aanpasten als de Belgen. Van hen getuigde eens een Nederlands ambtenaar in 't Frans: "C'est le réfugié en partie double". Wel was hij, noodgedwongen, bewoner van het vluchtoord, maar als Nederlander voelde hij zich meer dan dat. Verplichtingen als uitgewekene nam hij niet aan, wel stelde hij als Nederlander eisen, waaraan onmogelijk was te voldoen. Over onrechtvaardigheid en misbruik was hij nooit uitgepraat en hij deed dit met scherpte en hardnekkigheid. Meer dan de Belg, welke wel eens met een goed woord en een kwinkslag was te bevredigen, stond hij op zijn stuk, redenerend en nogmaals redenerend. Het puntenstelsel en de arbeid in het vluchtoord hadden voor hem, die in Duitsland door hoge lonen was verwend geworden, geen bekering. Zijn individualiteit, welke voor hem in gewone omstandigheden een stevige steun moet zijn, zag geen heil in zulke eigenaardige gemeenschap, waarin hij zich verplaatst zag, en daardoor is zijn aandeel in de ontwikkeling van het vluchtoord Uden uiterst gering geweest. Wanneer hij er toe overging zijn bescheiden plaats in het geheel te aanvaarden, deed hij het echter gewoonlijk met meer overtuiging dan de Belg. Meer doordacht en persoonlijker dan deze laatste was hij beter geschikt voor leidend werk. Zijn opvallend betere taalkennis, die hem vrijwaarde van elke onbeholpenheid tegenover derden, kwam hem daarbij goed te stade; aan hem hebben de Vlamingen praktisch ondervonden wat een weg zij op taalgebied nog hebben af te leggen en hoe dringend noodzakelijk een algemeen beschaafde omgangstaal in Vlaanderen is, met het oog op degelijke volksontwikkeling.

De gemoedelijkheid en opgewektheid van zijn zuiderbuur, diens ingeboren zucht naar mededeelzaamheid, schoonheid en elegantie, bleven de Nederlander evenwel vreemd.

Op de Belgische stijl van het vluchtoord reageerde hij niet. Wat hem daarin beviel, nam hij aan en ging verder zijn gang, zoekend naar een oplossing voor zijn toestand, die hem meer bevredigen zou. Vandaar dat hij heel gauw behoorde tot de categorie van reizende en trekkende uitgewekenen, die nu eens hier, dan daar enige tijd wat geld trachtten te verdienen om naderhand, bij hun terugkeer in het vluchtoord, kalmpjes aan tegen een barak te gaan aanleunen, steeds maar redenerend over alles wat de dag met zich meebracht. Toen in 1917 het gebrek aan handen zich in Duitsland begon te doen gevoelen en wervingsagenten ook in 't vluchtoord neerstreken, greep hij de gelegenheid gretig aan en trok terug naar het Rijnland, waar grof geld werd verdiend. Kordaat kwam hij er voor uit, dat het hem daarbij alléén maar om de verdienste was te doen.

De daareven aangehaalde categorie van reizende en trekkende uitgewekenen, waartoe ook veel Belgen behoorden, had eveneens haar invloed op de schommelingen in de bevolkingssterkte.

Wegens de mobilisatie en de noodzakelijk geworden opdrijving van de productie in Nederland, waren overal werkkrachten nodig, vooral in het landbouwbedrijf en de daarmede verbonden bietencultuur. In het voorjaar 1916 hadden reeds verscheidene honderden mannen, vrouwen, jongens en meisjes een werkkring gevonden bij de boeren uit het omliggende gebied of in de polders. Het grootste gedeelte ervan werkte dat jaar nabij Mill in de "Princepeel", waar onder meer proefnemingen met de vlasteelt werden genomen. Bijna zonder uitzondering bleven zij in het vluchtoord gehuisvest, omdat in Mill geen woningen te vinden waren en het werk ook maar tijdelijk was.

Alléén de ongehuwden mochten, volgens een algemeen bepaling, bij eventuele tewerkstelling, niet langer in het vluchtoord blijven en zij werden slechts terug opgenomen, wanneer zij wegens staking of vermindering van het werk werden afgedankt. In het najaar kwamen zij gewoonlijk terug om in het vluchtoord te overwinteren en er in de lente als trekvogels weer uit te vliegen. Duidelijk is dit merkbaar aan de schommelingen van de bevolkingssterkte in de laatste maanden van 1915, 1916, 1917 en 1918 (tot november). Voor hen was het vluchtoord een uiterst goedkoop hotel en een niet onbehagelijk rustoord. Wegens het onafgebroken aankomen en vertrekken van vluchtelingen komt dit heen- en weertrekken in de getalsterkte niet altijd tot uiting - duidelijk is zij waar te nemen aan een daling in april-mei 1917 - want bij de bepaling van die sterkte werd uiteraard geen rekening gehouden met allen, die dagelijks of op het einde van de week naar huis kwamen en als vaste bewoners beschouwd bleven.

De hierachter staande statistiek van het aantal personen, welke zich elders in Nederland gingen vestigen, werpt er iets meer licht op, maar geheel juist is ook zij niet, daar onder de opgegeven getallen ook personen zijn begrepen, welke naar andere vluchtoorden werden overgebracht of om andere dan arbeidsredenen elders hun tenten opsloegen. Toch is zij interessant genoeg om te worden opgenomen.

Naar andere plaatsen in Nederland vertrokken:


De hoogste cijfers geven, in 1916, 1917 en 1918, de voorjaarsmaanden april, mei, juni; in oktober, de maand van de bietwortelen campagne, is in 1915, 1916 en 1917 telkens een stijging waar te nemen.

De hoge cijfers in de twee laatste maanden van 1917 en de drie eerste van 1918 zijn gedeeltelijk te wijten aan het vertrek van woonwagens, waarvan er een twintigtal aanwezig waren. In juli 1916 hadden, eveneens wegens de ten gevolge van de oorlog ontstane moeilijkheden, de eerste woonwagens hun intocht in het vluchtoord gedaan en hun aantal is voortdurend gestegen, zodat zij ten slotte een klein park vormden, een schilderachtig hoekje aan de zuidzijde van het kamp, waar zij rustig, maar niet altijd even bescheiden, naar zwerversgebruiken konden voortleven. Dat het cijfer in november 1918 verband hield met de op de op 11 november gesloten wapenstilstand, behoeft wel geen nader betoog. Daar geen passen werden verleend en sommige Belgen toch weg wilden, wendden zij voor, zich in grensgemeenten te willen gaan vestigen, van waar zij gemakkelijk hun land konden bereiken. Voor 't overige wijzen de cijfers op een niet te ontkennen honkvastheid van de bevolking.
Leerrijker nog zijn de cijfers van het vertrek naar België en Engeland of Frankrijk.

Vertrokken zijn:


Terwijl de trek naar Engeland of Frankrijk in 1915 en begin 1916 nogal aanzienlijk was - vergeet hierbij niet, dat alléén vaklieden kans hadden het Kanaal over te mogen steken en onder hen die zich voor vertrek aanmeldden bepaald een selectie werd gehouden - daalde met de onbeperkte duikbootoorlog in februari 1916 het cijfer aanzienlijk. Bijna uitsluitend vertrokken nog, behoudens de uitzonderingsgevallen, dienstplichtigen, spoorwegwerklieden en enkele gezinnen van in Engeland tewerkgestelde Belgen. Het invoeren van nieuwe bepalingen omtrent de passen voor België in oktober 1915 drukte onmiddellijk op de terugkeer naar het vaderland, die slechts in zeer bijzondere gevallen nog door de Duitse overheid werd toegestaan.

De quasi-onmogelijkheid om zich naar het buitenland te begeven, en de omstandigheid, dat tal van vluchtelingen, door uitputting van hun spaargelden, gebrek aan werk of inkomsten, gedwongen werden een toevlucht in het vluchtoord te zoeken en verder het teveel aan geboorten, waren oorzaak dat in 1917 het aantal bewoners voortdurend steeg om in oktober 1918 de 7000 te bereiken en zelfs te overschrijden. In totaal werden tot en met 18 december 1918 in het vluchtoord 14002 personen verpleegd.

Dit laatste cijfer, vergeleken met het gemiddelde aantal bewoners, zegt meer dan enig betoog omtrent de variabiliteit van de vluchtoordbevolking. In dit opzicht is het vluchtoord ook een ware oorlogsgemeente geweest. Voortdurend brachten de omstandigheden nieuwe elementen aan ter vervanging van hen, die door de gewone maatschappij werden opgeslorpt, maar het peil daalde geregeld en de laatste waren weinig meer dan berooide wrakken, uitgeworpen door de ongenadige samenleving wegens ziekte, zwakte, ongeschiktheid, verarmoeding of gebrek aan moraliteitszin. Er werd reeds op gewezen, dat de werklieden voor Engeland werden uitgezocht; alléén hun bekwaamheden als vakman werden gewogen. Van de "skilled labourers" bleven er weinigen in het vluchtoord. De landbouwbehoeften in Nederland haalden de beste landbouwers en grondwerkers weg, het Belgische leger trok de flinkste jongelieden tot zich, zodat, met een woord, het "neusje van de zalm" stilaan verdween uit het vluchtoord en dit zich met minder geschikte elementen moest behelpen. Wel bleven er verscheidene flinke krachten het vluchtoord getrouw, maar tegen de daling van het peil van de bevolking waren zij niet opgewassen. Vooral in 1917 en 1918 viel dit op. Voortdurend was het een opnieuw beginnen met het geven van inlichtingen, het verschaffen van werk, het bestrijden dezelfde vooroordelen, het weerleggen van dezelfde klachten. Zonder valse schaamte mag worden gezegd, dat door die variabiliteit van het personeel, dat rechtstreeks met het publiek in aanraking kwam, het uiterste gevergd is geworden aan geduld en toewijding. Aan de jeugd kon men dit op tastbare wijze merken. Sommige ouders begonnen haar aan zich zelf over te laten, bleven onverschillig voor school of werkplaats. Als de jonge zoon of dochter op het einde van de week maar wat loon thuis bracht, waren zij tevreden. De noodzakelijkheid om hun kinderen te wapenen voor de toekomst drong niet tot hen door en in plaats van hen naar de avondlessen te zenden, lieten zij hun jongens 's avonds er op uit trekken om zich in de donkere hoeken te amuseren met baldadigheden.

Na een stortregen

De bij menigeen heersende rudimentaire opvattingen omtrent recht, huishoudelijke plichten, eerlijkheid en moraliteit kwamen aan het licht bij de onderzoekingen, waartoe de politierapporten aanleiding gaven. Ik zal nooit die zittingen vergeten, welke veel moeten hebben geleken op de ondervragingen in het kabinet van een onderzoeksrechter. In volle naaktheid trad dan de menselijke miserie te voorschijn, doorlopend de volle gamma van corruptie van de mensen, blootleggend de hopeloos wrede gevolgen van onbeteugelde driften of onoverwonnen zwakheden. Verbijsterend was de brutale openhartigheid, waarmee het ergste werd opgebiecht - cynisch soms de kille onverschilligheid, waarop een goed woord of een menslievend bedoelen werd onthaald - verstommend de lichtzinnige laster, waartoe de mensen zich lieten verleiden. Ik heb nooit zo de gelegenheid gehad om de echtheid van de naturalistische geschreven kunstwerken aan de werkelijkheid te toetsen - ik heb nooit minder lust gevoeld om er een van ter hand te nemen.

't Was mij dikwijls te moede of de geesten van Ibsen en Zola in de kamer rondwaarden om te getuigen van de menselijke diepten van hun kunst alléén is de werkelijkheid schrijnender nog, wijl ontdaan van elke versiering of fantasie.

Waarlijk men behoefde, zoals wel eens gedaan werd, de vluchtoorden niet van corruptie te beschuldigen.

Wat de mensen er van overal uit de gewone, gevierde maatschappij heen brachten, maakt een dergelijk verwijt voor hem, die de gelegenheid had de toestand van dichtbij te beschouwen, tot een farizeïsche bespotting. Ik heb in vroegere jaren, wanneer ik na een ibseniaansche voorstelling huiswaarts keerde in de late stille avond, het gemoed boordevol en de geest moe gedacht over zieleproblemen, dikwijls met een vragend oog opgekeken naar een verlicht venster daarboven of een bleke schim, die langs mij heen over de straten schoof; ik koesterde dan wel eens de wens om die kalm-treiterende muren en daken te kunnen doorpeilen en voor mijzelf de waarheid van het vóór het voetlicht doorleefde te kunnen 1ogenstraffen, want dat was de stille hoop van mijn wens. Wanneer ik in de toekomst nog eens in die stemming huiswaarts zal keren, zal die wens niet meer in mij opkomen, want ik heb gehoord en gezien.

Gelukkig hebben slechts weinigen die verborgen diepten van de "zelfkant van de samenleving" moeten aanschouwen, de anderen zijn er langs heen gegaan zonder te hebben moeten horen en zien of horende hebben en ziende hebben zij niet begrepen en ziende hebben zij niet gemerkt.

Uiterlijk was van die tragedies, drama's en romans - slechts zelden was er een komisch intermezzo - niets merkbaar en al kon men vermoeden, men wist niet. Op de oningewijde of de bezoeker, maakte de gemeente een normalen indruk.

Zij kende de drukte van schoolgaande kinderen op vastgestelde tijden van de dag - de groepjes mannen en vrouwen, wachtende op het openen van de ateliers, het Angelus klokgelui 's middags met het uitlopen van alle werkplaatsen - plassende of pratende buurvrouwen - het winkelen - de distributie met haar rijen wachtenden - de dorpstoneelvoorstellingen.

Bij feestelijke gelegenheden ontbrak er de Belgische opgewondenheid niet - het hossen achter "'t muziek" - de zenuwachtige drukte en verwarring.

Zingende jongens

De zondag had zijn stillere facetten van het naar de kerk gaan, de wandeling van het gezin, de groepjes kalm pratende huisvaders, zingende jongens, het kaarten thuis, de vrolijkheid van de opvallende Belgische opschik, die gelijke tred hield met de modieuze vinding en uitblonk door een schrille kleurenharmonie - het slenteren of rap bewegen van goed geschoeide elegante voetjes, de cadans van het lachende gelaat weergevend of de rustigheid van een eenvoudig gemoed. Tegenover het daareven geschetste beeld in mineur moge hier op de lichte zijde worden gewezen, met name op de menslievende gevoelens van de bevolking.

Talrijk zijn de gevallen, waarin bewoners elkaar uit de nood hebben geholpen - meermalen hebben zij, bij de aankomst van onderkomen vluchtelingen, gedeporteerden en anderen door hun houding en daden getoond, dat het medelijden in hun harten slechts op de gelegenheid wachtte om zich op een ondubbelzinnige wijze te uiten. Onder elkaar gaven zij blijken van een behulpzaamheid en offervaardigheid, welke van een betere inborst getuigden, dan de officiële verhoudingen tot het vluchtoord konden laten vermoeden. Herhaaldelijk traden deze gevoelens naar voren. De eerste maal met de Watersnood van 1916. De financiële draagkracht van de bewoners was in die tijd nog zeer gering, maar een beroep op hun medehulp bleef niet onbeantwoord en in franken, centen en centiemen werd dadelijk f 82.- voor de slachtoffers van de Watersnood opgehaald. Namens de "barakchefs" ontving de Regeringscommissaris het volgende schrijven:

"Gans onder de indruk van de milde gastvrijheid waarvan wij, Belgen, hier te lande het voorwerp zijn en waaraan, immer en altoos, de herinnering in ons gemoed dankbaar voortleven zal, voelden wij ons pijnlijk aangedaan en innig getroffen door de vreselijke ramp die kwam over het gastvrije Nederland, en rouw en rampspoed bracht in zo menig huisgezin. Houden wij eraan, Heer Regeringscommissaris, hier uiting te geven aan onze gevoelens van innig medeleed en deelneming in deze smartelijke beproeving; wij hebben er insgelijks aan gehouden, in de mate van ons vermogen, hulp te bieden en een luttel iets bij te dragen als tegemoetkoming voor de ongelukkige slachtoffers van de vreselijke waterramp van Noord-Holland.

Mocht het U believen, Heer Regeringscommissaris dit "nederig penningske van de armen" even welwillend te aanvaarden als het aangeboden wordt, dan zouden wij ons hoogst gelukkig gevoelen.

In deze verwachting, bieden wij U, Heer Regeringscommissaris, met onzen voorafgaande dank, de uitdrukking onzer bijzondere Hoogachting. - Vluchtoord Uden, 2 februari 1916".

Voor het Belgische Rode Kuis, de voornaamste liefdadigheidsinstelling in het vluchtoord, werd in totaal f 4580,815 (Vier duizend vijf honderd tachtig gulden, één en tachtig en halve cent) bijeengebracht.

Een gedeelte hiervan was de netto-ontvangst van liefdadigheidsfeesten, maar wat het bedrag zo hoog deed stijgen, waren de wekelijkse gezinsbijdragen van een paar punten of centen. Slechts weinige huisgezinnen waren niet in het bezit van een Rodekruiskaart, waarop telkens de gestorte bijdragen werden aangetekend. Die kaart is voor allen een erekaart, want terecht werd door het Hoofdcomité in Nederland aan het Vluchtoord Uden een bijzondere hulde gebracht voor zijn buitengewone hulp.

Voor het Belgisch Dubbeltje, opgericht ten bate van het Nationaal Steun- en Voeding Comiteit, werd, door collectes op bescheiden schaal, een som van f 470,815 bijeengebracht.

Voor de Watersnood werd in 't geheel opgehaald f 198,09. Het Belgisch Aandenken, in 1917 in het vluchtoord tot stand gekomen, boekte aan ontvangsten niet minder dan f 501,105.

Praalwagen

Doorlopend werd vanwege de voornoemde liefdadigheidsinstellingen een beroep gedaan op de vrijgevigheid van de inwoners en nooit werd tevergeefs bij hen aangeklopt. Van het weinige, dat zij hadden, hebben zij gegeven goedsmoeds en gul.

Dat zij voor het lijden van anderen niet ongevoelig waren, bewezen zij nog bij menige andere gelegenheid. Overleed een van hun werkkameraden, dan stelden zij het op prijs hem, bij de begrafenis, naar Belgisch gebruik, het Vluchtoord te mogen uitdragen en tot aan zijn laatste rustplaats te vergezellen. Met een eenvoudige krans betuigden zij hem hun kameraadschap en gewoonlijk lieten zij, te zijner intentie, ook missen opdragen.

Vierden een paar oudjes hun gouden bruiloftsfeest, dan was dadelijk een feestcommissie samengesteld om de jubilarissen hartelijk te onthalen en hun een herinnering aan die heuglijke dag aan te bieden.

Waren ouderloze kinderen in het Vluchtoord aanwezig, dan werden er altijd moeders gevonden om hen te verplegen en al deden sommigen het ook om de daaraan verbonden verdiensten, anderen omringden die wezen met de tederste zorgen en namen hen zelfs voorgoed tot zich.

Toen in oktober 1918 Nederland voor de tweede maal door vluchtelingen werd overstroomd en aan de grens om hulpkrachten werd gevraagd, boden zich dadelijk 150 man aan en een twintigtal daarvan waren einde december nog werkzaam te Woensel.

Herhaaldelijk hebben de bewoners gezamenlijk hun dankbaarheid voor Nederlands edelmoedigheid uitgesproken, voor de eerste maal met de Watersnood zoals uit het boven overgenomen schrijven van de barakchefs is gebleken.

De verjaardag van de Regeringscommissaris op 25 Mei 1916, werd een echte dankdag en dat was ook de Koninginnedag van hetzelfde jaar. Op 15 november 1918, bij de feestviering van de naamdag van Koning Albert, werd aan H. M. Koningin Wilhelmina nog een telegram gezonden om haar dank te zeggen voor de jarenlange genoten gastvrijheid.

Het zou mij te ver leiden, indien ik hier een overzicht moest geven van de lange reeks afzonderlijke dankbetuigingen, door de directie en de ambtenaren bij monde en bij geschrifte ontvangen, gedurende het vierjarige bestaan van het kamp te Uden. Stellig hebben niet alle uitgewekenen weten te waarderen wat voor hen werd gedaan en niet altijd had een beroep van Belgische zijde op de door hen verschuldigde dankbaarheid het verwachte resultaat. Men zou nochtans een onrechtvaardig oordeel vellen, indien men die alleenstaande uitingen ging generaliseren. De ondankbaarheid springt in 't oog, de dankbaarheid blijft verdoken, omdat hij die er het voorwerp van is, ze liefst verzwijgt. Met eerbiediging van elke persoonlijke bescheidenheid, acht ik het evenwel gewenst bij deze gelegenheid te verklaren, dat de Belgen van het Vluchtoord Uden bewijzen hebben gegeven geen ondankbare gasten te zijn geweest en ik ben ervan overtuigd, dat hun dankbare gevoelens, na hun terugkeer in het geliefde Vaderland, nog zullen stijgen, naarmate het wrange gevoel van de ballingschap zal zijn bezonken en zij hun betrekkelijk zorgeloos en vooral vrij bestaan op Nederlandse bodem zullen hebben getoetst aan het lijden en de verdrukking van hun landgenoten onder de vreemde bezetting.

Praalwagen

Op de naamdag van de Regeringscommissaris en het Koninginnefeest in 1916 wil ik even terugkomen, omdat zij op een even onverwachte als treffende wijze uiting gaven aan de vitaliteit en de decoratieve eigenschappen van het Vlaamse Volk. Zij waren voor iedereen, in 't bijzonder voor de Hollandse omgeving, een ware openbaring. Op beide dagen heerste in het vluchtoord een rondborstige, zonnige feestvreugde. Dagen van te voren waren in alle stilte de nodige voorbereidingen getroffen en niemand wist wat er eigenlijk komen zou. Een blik op de hierbij afgedrukte foto's, een kleine keuze uit velen, zal de lezer overtuigen van wat de vluchtelingen, met de geringe middelen welke hun ten dienste stonden, wisten te bereiken. Daar was om te beginnen een reusachtige erepoort, geheel ontworpen en uitgevoerd door in 't vluchtoord vertoevende Belgen en dan kwamen de praalwagens, eveneens uitsluitend het werk van kampbewoners. De wagen, Nederlands liefdadigheid voorstellend, aan de een zijde het stukgeschoten België, aan de andere zijde Belgisch in rouw geklede maagd, ontvangen door de vredelievende Vorstin van de Nederlanden - is op zich zelf een niet onverdienstelijk stuk werk. In de lichtstoet van 31 augustus 1916 openbaarde zich de geest van de Antwerpse landjuwelen op kennelijke wijze als zuivere volkspsyche, want te Uden ontbraken de kunstenaars en ook de geldmiddelen!

Ten slotte nog een woord over het zo dikwijls geroemde aanpassingsvermogen van de Belgen. Dat bestond inderdaad en gepaard met het optimisme van het Belgische karakter, was het in deze moeilijke omstandigheden, een gelukkige eigenschap. Niet altijd echter hield het vol en vaak was het niet anders dan de belangstelling van een kind voor een stuk nieuw speelgoed. Het doorzetten, het doordrijven van de sterke wil, karaktervastheid waren er niet steeds de kenmerken van en wie erop vertrouwde beleefde menige ontgoocheling. Daardoor kreeg men meermalen de indruk dat het geheel in de lucht zweefde en door een waas van onwerkelijkheid was omgeven. De voortdurende verandering van bevolking, het tijdelijke karakter van de instelling verscherpten die indruk. De omstandigheden zorgden er echter geregeld voor om die indruk weer weg te nemen en ten slotte bleef men - en dit gaf de vastheid aan, was de ruggengraat van het geheel - aan 't regelen, organiseren en reorganiseren, alsof de gemeente nog jaren en jaren moest blijven voortbestaan. Jammer, dacht en zei men, dat dit alles eens plotseling verdwijnen zal!

Nog enige cijfers over de samenstelling van de bevolking mogen dit hoofdstuk besluiten.

Op 11 oktober 1915 gaf een optelling voor schooldoeleinden de volgende cijfers:

Beneden 3 jaar: 162 jongens en 190 meisjes;
van 3 tot 6 jaar: 194 jongens en 194 meisjes;
van 6 tot 14 jaar: 599 jongens en 592 meisjes;
totaal: 955 jongens en 976 meisjes, samen 1931 kinderen op 5451 inwoners.

In maart 1916 maakte een telling uit, dat er op 5620 personen 2736 vrouwelijke en 2884 mannelijke personen waren.

Een telling op 1 maart 1917 betreffende de kerkgenootschappen gaf de volgende resultaten:

Belgische bevolking:
Totaal 5620, verdeeld over 1029 gezinnen met 2884 mannelijke en 2736 vrouwelijke personen, waaronder 5588 Rooms-katholieken, 31 Protestanten; slechts 1 verklaarde tot geen kerkgenootschap te behoren.


Nederlandse bevolking:
Totaal: 539 personen, waarvan 258 Rooms-katholieken en 281 Protestanten.

Op 4 juli 1917 bestond de bevolking uit 6197 personen, verdeeld als volgt:
209 kinderen beneden 1 jaar, 3223 personen van 1 tot en met 18 jaar, waarvan 1639 jongens en 1584 meisjes. Boven 18 jaar: 2765.

Opmerkelijk is hier nogmaals het grote aantal kinderen.

Op 1 december 1917 telde de gemeente 6644 personen, waarvan 5312 Belgen en andere vreemdelingen en 1332 Nederlanders.

Onder de Belgische bevolking was de verhouding van de vrouwelijke tot de mannelijke bevolking respectievelijk 2728 en 2584. Het vrouwelijk element had, wegens het uitwijken van de mannen naar Engeland en Frankrijk, thans de bovenhand gekregen!

Van de Nederlandse bevolking kwamen er 729 uit Duitsland en 603 uit België. Voor haar waren de cijfers voor de mannelijke en vrouwelijke bevolking respectievelijk 688 en 644 met de mannelijke zijde voorop. Boven de 20 jaar waren er in 't geheel 2970 personen. Onder de bevolking bevonden zich toen 47 personen van verschillende andere nationaliteiten: 12 Fransen, 5 Engelsen, 2 Russen, 7 Italianen, 18 Duitsers, 2 Oostenrijkers en 1 Spanjaard.

De Nederlandse bevolking steeg van 263 op 31 december 1915 tot 970 op 13 december 1916, 1330 op 31 december 1917 en 1461 op 2 mei 1918.


Op 20 december 1918 waren er nog 1386 Nederlanders, waarvan 698 uit België en 688 uit Duitsland. De volgende cijfers geven een kijk op de samenstelling van de Nederlandse bevolking op laatstgenoemden datum:


Een statistiek, volgens de leeftijd opgenomen op 15 december 1917 en op 15 maart 1918, gaf respectievelijk de volgende leerrijke resultaten:


Ofschoon bovenstaande statistieken, wegens de verschillende doeleinden waarvoor zij werden opgemaakt, niet op dezelfde grondslagen berusten, brengen zij toch enkele feiten naar voren, welke als belichting van de voorafgaande beschouwingen en de volgende hoofdstukken over de werkverschaffing en het onderwijs, niet zonder belang zijn. Er blijkt duidelijk uit:

1- dat het vluchtoord rijkelijk gezegend was met kinderen. In oktober 1915 waren er op een bevolking van 5451 personen respectievelijk 1191 en 388 kinderen op leeftijd voor de lagere school en de bewaarschool.
In December 1917 zijn deze cijfers respectievelijk 1557 en 509 op 6718 personen; in maart 1918: 1567 en 569 op 6697. Bijzonder hoog is het aantal kinderen bij de uit Duitsland teruggekeerde Nederlandse gezinnen.

In juli 1917 waren er op 6197 bewoners 3432 beneden de 18 en slechts 2765 boven de 18 jaar; in december 1917 op 6718 bewoners respectievelijk 3578 en 3140. De laatste cijfers wijzen op een stijging van de volwassenen, welke toe te schrijven is aan de aankomst van meer alleenstaande personen.

2- dat de mannelijke en de vrouwelijke bevolking elkaar vrijwel in evenwicht hielden.
In maart 1916 respectievelijk 2736 vrouwen en 2884 mannen; in juli 1917 respectievelijk 1584 meisjes en 1639 jongens; in december 1917 respectievelijk 3372 vrouwen en 3272 mannen (zoals reeds werd opgemerkt is de stijging van het verhoudingscijfer van de vrouwelijke bevolking te wijten aan het vertrek van Belgische mannen naar Engeland en Frankrijk).

3- dat de Belgische bevolking van het vluchtoord bijna uitsluitend tot de Rooms-katholieken godsdienst behoorde.