Het Vluchtoord Uden

uit: België in Nederland 1914-1919 -  door R.W.R. Verdeyen

UITERLIJKE VORMEN.


A. KENNISMAKING.

Op 20 april 1915 bracht ik een groep bewoners van het vluchtoord Hontenisse naar Uden. Het was een lange reis! Van Kloosterzande naar Walsoorden te voet, van Walsoorden naar Hansweert met de provinciale boot, van Hansweert naar Vlake met de tram - van Vlake tot Tilburg - van Tilburg naar Boxtel - van Boxtel naar Uden - van Uden naar het vluchtoord toe, op de grens van de gemeente Zeeland. 't Was laat in de namiddag, toen de vermoeiden voor een bord warm eten weer tot bezinning konden komen in de hun vreemde omgeving van een niet te overziene grote eetzaal, waar zij met nieuwsgierige blikken werden aangekeken. 't Was hun allen zo vreemd te moede - kwam aan hun ballingen tocht dan nooit een einde? Zij zaten hier nu zo ver van hun landgrens‚ waarvan zij maandenlang de nabijheid hadden gevoeld, in een afgelegen plaats en zo dicht de Duitse grens! En nu weer al die vreemde gezichten en nieuwe wetten en 't was hier zo groot!

Uitgestrekt was het terrein. Dat merkte ik de volgenden morgen, toen ik het "kamp" - want "kamp" bleef de benaming - bezocht en liep langs de barakken, welke, in de blankheid van het vers geschaafd hout en de nieuwigheid, u lachend uitnodigend tot een kijkje door de open deuren of ramen. Vóór de deuren zaten moeders in het warme lentezonnetje vlijtig en kalm genoeglijk te breien - in de keukens stoomden sissend de nieuwe kokers en door de walmen heen klonk de veerkrachtige klompentred van de koks u tegen. Ik zag er een heus post-,  telegraaf- en telefoonkantoor, een winkel, met allerhande waren voorzien - een elektrische centrale - een kapperswinkel - een kerk met een klokje - scholen en al die gebouwen lagen om uitgestrekte pleinen of langs brede wegen, die allemaal hun eigen namen en huisnummers hadden.

Aan de wandeling kwam geen einde en met een gevoel van verlichting nam ik 's middags plaats in de auto van het kamp, ditmaal bestuurd door een echte chauffeur, en nog wel een Amsterdammer.

Op de Udense heide bleek in enkele weken een formeel dorp uit de grond te zijn opgerezen, waarvan de eerste indruk was die van een aantal naar vaste lijnen gegroepeerde reusachtige bijenkasten, waartussen het niet gemakkelijk was zijn weg te vinden en waarop de jeugdige lentefrisheid een glans legde van rustige tevredenheid.



B. DE OPRICHTING.

DE GEBOUWEN.

Op 17 december 1914 verliet de Regeringscommissaris Hontenisse voor Uden, om er de voorbereidende maatregelen te treffen. Een tiental dagen later werden de gebouwen, volgens de schetsen van de Inspecteur voor de Volkshuisvesting aanbesteed; 14 dagen later reden zware wagens, kreunend onder de hoge kostbare houtladingen, naar het afgelegen stuk heidegrond van circa 35 hectaren, dat door de gemeente Uden aan het Rijk in bruikleen was afgestaan voor de duur van de oorlog; koortsachtig werd er gehamerd en gesjouwd en op l8 februari kon het Vluchtoord worden geopend en was er gelegenheid om er, naar oorspronkelijke schatting, 10.000 personen te herbergen.


Ingang van het Vluchtoord

De inrichting was nog rudimentair; de heidestruiken waren nog niet afgesleten of weg geschoffeld; bij ongewone regenval plaste het water tot kleine meertjes samen en dreigde soms de drempels van de barakken te overschrijden. De naam "Waterweg" werd er als een blijvende herinnering aan verbonden; het kleding magazijn werd voorlopig in een van de eetzalen onder dak gebracht; het personeel moest nog elke dag te voet heen en weer naar het dorp Uden, waar zich ook het kantoor van de Regeringscommissaris bevond, maar toch konden reeds vluchtelingen, welke elders tot overlast waren geworden, hun intrek in de barakken nemen. De matrassen lagen nog op de grond en in die koude februaridagen, midden op de gure heide, waar de oostenwind u door de kleren snijdt en uw lichaam ongenadig kan striemen, hebben de eerste bewoners er een hard bestaan gehad. Al was de opvatting en de indeling van het Vluchtoord onder invloed van de in Hontenisse en Nunspeet opgedane ondervinding heel wat breder en praktischer, in de organisatietijd kon niet worden verhinderd, dat niet alles naar verwachting verliep en op de uren van de maaltijden de mensen verkleumd in de eetzalen aankwamen. Gelukkig duurde die overgangsperiode niet lang en vrij spoedig, in de maand april, had het geheel een vaste vorm gekregen, waaraan aanvankelijk slechts veranderingen van weinig ingrijpende aard, vereist door de dienst, werden aangebracht.



Begin situatie in 1915



Eind situatie in 1918


De opzet kan men duidelijk bekijken op de plattegrond. Het eigenlijke kamp ligt ten zuiden van de weg van Uden naar Zeeland en bestaat uit drie grote gedeelten, welke naar de ligging heten: Westwijk, Oostwijk en Zuidwijk. Dwars er doorheen loopt, van Noord naar Zuid, de Middenweg. De woonbarakken geven de buitenlijnen van elke wijk aan en sluiten die tot een geheel af. Elke wijk heeft haar keuken, waslokaal, kolenhok en eetzalen. De West- en de Oostwijk hebben elk drie eetzalen, de Zuidwijk, wegens haar groter aantal woonbarakken, vier. Op de tussenruimten zijn de andere dienstgebouwen opgesteld.


Melkkeuken en Postkantoor

In de Westwijk: de elektrische centrale, de badinrichting, het post- telegraaf- en telefoonkantoor, de melkkeuken.


Westerweg, Vluchtoord Uden


In de Oostwijk: de kerk met pastorie en klooster voor de geestelijke zusters. In de Zuidwijk: het bestuursgebouw, de apotheek en de winkel van het vluchtoord.


Kledingmagazijn

Vóór aan de ingang, gemakshalve met het oog op het vervoer, liggen het kledingmagazijn, het levensmiddelen- en nachtlegermagazijn, en verder nog de politiewacht, de polikliniek, een atelier voor mannen en een atelier voor vrouwen.


De Wacht, Politiepost en Administrateur

Noordelijk van de provincialen weg, buiten de drukte van het kamp, staan de scholen, het ziekenhuis, de verpleegsterswoning, de woning van de ambtenaren.

De dispositie van het geheel is zodanig, dat de woonbarakken alle uitgeven op grote pleinen, waardoor een ruime toevoer van lucht en licht wordt gewaarborgd. Het plein in de Oostwijk, tussen de eerste woonbarakken en de kerk in, beslaat een oppervlakte van meer dan één hectare, de andere pleinen zijn iets kleiner, maar de wind heeft er vrij spel en wie er bij gierende stormen en loeiende heide onweersbuien over heen moest, heeft er zich dikwijls als aan een open zeestrand gevoeld, waar de rukwinden het scherpe zand in uw ogen zwiepen, u de adem trachten af te snijden om u tegen de opbultenden grond neer te smakken.

Bij de bouw van de woon- of slaapbarakken werd afgezien van een gezamenlijke huisvesting en uitgegaan van het voornemen om het gezinsleven, voor zover de omstandigheden dit zouden toelaten, te bevorderen.

Het idee van een open ruimte, waarin in vier rijen de mensen, naast elkaar moesten gaan rusten, werd opgegeven wegens het gemis aan huiselijkheid en bewegingsvrijheid.

Om de normale omstandigheden zoveel mogelijk te benaderen, werden de woonbarakken verdeeld in zijkamertjes, spoedig tot "kabinetten" herdoopt door de volksmond, van 3 X 7 meter, en twee "kopkamers" van 4.5 X 6 meter voor grotere gezinnen. Tussen deze twee kopkamers in was er nog een andere kamer van 4.5 x 6 meter, waarin steeds een kachel brandde, ten dienste van de gezinnen met kleine kinderen, welke om die kopkamers werden ingedeeld en door een gangetje toegang hadden tot de "kachelkamer".

De twee kamers aan het andere einde van de barak stonden met elkaar in verbinding en waren bestemd voor kleinere gezinnen en alleenstaande jonge meisjes of mannen. Aan de beide einden van de barak waren de privaten aangebracht. Elke cabine beschikte over eigen raam en deur, over legboord en tafel en werd verondersteld 10 personen te kunnen herbergen. De gehele barak was 48 meter lang, 14 meter breed, 4.25 meter hoog aan de nok en 2.80 meter aan de dakrand.

De eetzalen hadden iets grotere afmetingen: 51 meter lang bij 15 meter breed, en respectievelijk 4.25 en 2.80 meter hoog. Er was plaats voor een tachtigtal tafels en aan elk hiervan konden 10 à 12 personen plaats nemen, zodat gezamenlijk voor een kleine duizend mensen kon worden opgediend. Aan elke eetzaal was een lokaal van 4 x 6 meter aangebouwd waar het gerei werd afgewassen en opgeborgen. De eetzalen dienden tevens tot dag- en avondverblijf, daar de woonbarakken eigenlijk alléén voor slaapgelegenheid waren ingericht.

De keukens en waslokalen waren eenvoudige houten gebouwtjes met stenen vloer en met als enig sieraad stoomkokers, fornuisketels en pompen.

De badinrichting, zeer praktisch opgevat, beschikte over 26 douches en 2 ligbaden. Bij het badhuis bevond zich de elektrische centrale. Van het gebouwtje waar het postkantoor was ondergebracht werd een gedeelte afgestaan aan de officieel erkenden kapper van het vluchtoord en een ander aan een ingezetene van de gemeente Uden, welke er voor eigen rekening zijn zaak mocht drijven.

In de melkkeuken had de distributie van melk en pap plaats voor kinderen, zieken en zwakken.


Kerk


Interieur van de Kerk

De kerk met haar middenbeuk en twee zijbeuken, haar bescheiden torenklokje, was al even simpel als de andere gebouwen. De gelovigen moesten er plaats nemen op rijen gewone banken; aan het altaar, door de hand van een vluchteling vervaardigd, was iets meer zorg besteed, maar in zijn geheel stond het Huis des Heren in het teken van de grootste eenvoud, één in stemming met de houten effenheid van de omgeving.


In het bestuursgebouw - gewoonlijk "Raadhuis' genoemd en ook wel "Gemeentehuis" - het centrale punt van de eigenaardige houten stad op de Udense heide, waarvan het ontstaan in een oude oorlogsprofetie werd aangekondigd waren de kantoren ondergebracht van de Regeringscommissaris, de inwendige leiding, de registratie en de werkverschaffing.


Woonbarak en Puntenwinkel

Tegenover het Raadhuis stond de winkel van het vluchtoord, algemeen bekend onder de naam van "Puntenwinkel" (de benaming zal later verklaard worden), in tegenstelling met de "Hollandse Winkel" waarvan hoger sprake is. Een gedeelte ervan was als leeszaal ingericht.

De verplegingsdienst had zijn kantoor in het algemeen magazijn bij de ingangspoort, waar voedingsmiddelen, nachtleger, eetgerei in bonte mengeling waren opgestapeld; een hoekje er van was door het bouwbureau in beslag genomen.

Daarachter prijkte het enorme kleding magazijn, aan beide zijden geflankeerd door wacht- en paskamers en vlak erbij, enigszins afgezonderd, werd een naaiatelier gebouwd.

In de wacht vonden de overtreders van de dorpsreglementen een tijdelijke verblijfplaats en woonde tevens de fotograaf.

Achter de wacht, vóór een gespaard bosje, lag, evenals het naaiatelier wat afgezonderd, het enige atelier voor mannen, de timmerwinkel.


Schoolgebouwen

De scholen waren vrij ruime gebouwen met 4 klassen van 7 X 7.10 meter, gescheiden door een middengang van drie meter, en vormden een afzonderlijk complex, met een uitgestrekte speelplaats. De buitenwanden heel en al raam, zodat de zon er vrije toegang had. Het was er droog en luchtig.

Het ziekenhuis werd ingedeeld in vier ziekenzalen, gelegen om een ruime hal: één zaal voor kraamvrouwen en één voor kinderen, beide 7 x 18 meter groot en aan twee zijden voorzien van vijf hoge ramen - één mannenzaal en één vrouwenzaal, beide 7 X 15 meter aan een zijde voorzien van vier hoge ramen.

De twee eerste zalen waren, door het vele licht, dat er door de ramen toestroomde, bijzonder opgewekt de twee laatste, gescheiden door een hogen houten wand, hadden minder lichtspeling en waren iets doffer.

Langs de gang welke tot de hal toegang verleende, bevonden zich een paar kamers voor verpleegsters, de kamer van de verloskundige, de spreekkamer van de chef-arts, de keuken.

In die onmiddellijke nabijheid, aan de overkant van de weg, woonden de verpleegsters, welke in het ziekenhuis en in de wijk werkzaam waren, in een soort "cottage" bestaande uit een dubbele rij kamertjes, met gemeenschappelijke zitkamer en veranda. Verscholen tussen een groepje hoge dennenbomen, uitlopers van een uitgestrekt bos, ten oosten van het ziekenhuis, stond de woning van de ambtenaren, van wie voortdurende aanwezigheid in het vluchtoord noodzakelijk was. Het andere personeel zou zijn intrek in het dorp nemen.

In 't westen en in 't oosten was het vluchtoord beschermd door dichte dennenbossen; naar het noorden toe was het zicht vrij en had men een ver strekkende kijk op de onafzienbare Schaijkse heide, bezaaid met donkergrijze fluwelen dennenbossen, verbergend in hun verlatenheid oeroude natuurschoonheid, onaangeroerd gebleven door de hand van de heidebewoners, welke er voelen de greep van het onafwendbare, er vergroeid zijn met de bruine dorheid van de heidevelden en de sombere grootsheid van de dennen, die slechts onderbroken wordt door de schitterende maar kortstondige gouden dennenbloesem in de lente en de koninklijke paarse pracht van de heide in de zomer.

Het verschil met het vluchtoord te Hontenisse zal de lezer dadelijk zijn opgevallen. Terwijl het eerste het karakter droeg van een tijdelijk verblijf, waar in hoofdzaak voor een onderdak werd gezorgd, zat bij de oprichting van het vluchtoord te Uden de gedachte voor van het vormen van een echte gemeente, welke een zelfstandig geheel moest uitmaken en door de bewoners als hun thuis in Nederland zou worden gevoeld. Van een militaire bewaking, waaraan steeds het gevoel van een soort internering zou verbonden zijn, werd afgezien. De orde zou worden gehandhaafd door gewone Rijksveldwachters met behulp van een drietal geïnterneerde Belgische onderofficieren en op de bewoners zelf zou daarvoor een beroep worden gedaan. Alle uiterlijke kentekenen van gedwongen concentratie werden vermeden.

In de hierboven bondig omschreven omgeving groeide de ongewone gemeenschap, waarvan de geschiedenis in de volgende bladzijden zo objectief mogelijk wordt weergegeven, het houten bannelingen dorp op de Udense Heide.