Het Vluchtoord Uden

uit: België in Nederland 1914-1919 -  door R.W.R. Verdeyen

HET INWENDIGE LEVEN.


  1. A.GROEI EN ONTWIKKELING.


1. ROZE KAART EN REGLEMENT VAN ORDE.

De eerste gang van elke nieuwen bewoner ging naar het Raadhuis. Op het kantoor van de registratie - de Burgerlijken stand van het vluchtoord werden, op een afzonderlijke kaart, alle hem betreffende gegevens ingeschreven: naam en voornamen, datum van geboorte, geboorteplaats, nationaliteit, laatste woonplaats in de vreemde, de duur van het verblijf aldaar, beroep, godsdienst en wat verder nodig of nuttig mocht wezen. Hem werd dan een volgnummer gegeven met een "Bewijs van inschrijving", dat al dadelijk algemeen bekend werd onder de naam van "Roze Kaart". De "roze kaart" was het kennelijk teken van burgerschap in het vluchtoord; voor haar gingen alle kantoren open, met haar werden alle rechten opgeëist, zonder haar klopte men aan dovemans deur.

Nadat de nieuw ingeschrevene kennis had gemaakt met de cabine die hem werd aangewezen, en de barakchef vóór het raam de witte kaart met de naam van de nieuwen bewoner had vastgespijkerd, zocht hij zijn weg naar het stromagazijn, dat in een van de niet in gebruik genomen eetzalen van de Zuidwijk geïnstalleerd was, om er een stromatras te halen. "Roze Kaart a.u.b.!"

Van het stromagazijn naar het "magazijn aan de poort rechtover de wacht" (de officiële benaming "Levensmiddelen magazijn" of "Verplegingsdienst" is nooit in de smaak van het publiek gevallen) om dekns, emmer, bord, kop, lepel, vork, wasblik, borstel, dweil. "Roze Kaart, a.u.b.!"

Den volgenden morgen naar het kledingmagazijn om een kleding kaart. Dààr ook de vraag: "Roze Kaart, a.u.b.!"

Van het kledingmagazijn naar de werkverschaffing, als, wel te verstaan, de man zin had om te werken. Hier werd naar geen Roze Kaart meer gevraagd: machinaal werd ze al naar voren gestoken, met de kledingkaart er, als toemaat, gewoonlijk bij. En dan was de nieuweling ingeburgerd. Onderweg ontmoette kennissen of aangeknoopte relaties waren hem op zijn eerste rondgang behulpzaam geweest en de tweeden dag vond hij de weg naar zijn eetzaal zonder enige moeite. Na de avondmaaltijd had hij in de eetzaal gelegenheid genoeg om zich verder over zijn nieuwe verblijfplaats in te lichten, over de bewoners, de gang van zaken, de indeling van de tijd. Met kleuren en geuren werd alles hem aan 't verstand gebracht en zonder ooit het Reglement van Orde, het Reglement voor de eetzalen, de Algemene Bekendmaking te hebben gelezen, wist hij al heel gauw hoe de vork in de steel zat, of liever vermoedde hij het. De bewoners hadden inderdaad al die reglementen naar eigen inzicht, zonder enigen eerbied voor hun officieel karakter, tot een enkel Volksreglement samengesmolten, zo beknopt mogelijk, vatbaar voor de breedste uitlegging, en een vanzelfsprekende rekbaarheid. Getrouw aan de in België zo bekende uiting: "les réglements sont faits pour s'asseoir dessus" (reglementen zijn gemaakt om erop te gaan zitten) hadden zij de reglementen, zonder gewetenswroeging, aan zichzelf aangepast, de verplichtingen wat verzacht, de achterdeurtjes breed opengezet, zich niet voorziene vrijheden zelf vergund, zodat zij zich geheel behaaglijk konden bewegen tussen de verschillende aan de wanden van woonbarakken en eetzalen prijkende artikelen van de voorschriften, waarvan na enkele maanden bezwaarlijk nog een enkel exemplaar in het Vluchtoord ware te vinden geweest: een echt Belgische instinctmatige opvatting van artikel 4 van de Algemene Bekendmaking:

"Op alle in het vluchtoord gehuisveste Belgen wordt een beroep gedaan om met het tijdelijk over hen gestelde gezag samen te werken tot het verkrijgen van een rustige, arbeidzame Belgische gemeente te Uden, hun tijdelijke verblijfplaats."

Zonder enige boze opzet werd deze wens vervuld en al heeft de kampoverheid zich, niet ten onrechte,in stilte dikwijls geërgerd over de vrije opvattingen, welke de Belgen er ten aanzien van een voorgeschreven regelgeving op nahouden, hare meegaandheid en gematigdheid hebben ten slotte toch van de bewoners verkregen, dat de grote lijnen van de reglementen niet uit het oog werden verloren en het vluchtoord in werkelijkheid een "rustige, arbeidzame gemeente is geworden" waarin de orde geen enkele maal gedurende haar vierjarig bestaan ernstig werd gestoord.

Hoe mensen en omstandigheden zo'n voorgenomen regeling wisten te ontduiken en te wijzigen, is aan de hand van het Reglement van Orde, dat hieronder wordt overgedrukt, op niet onaardige wijze na te gaan. Wat van de bewoners verlangd werd was in negen artikelen samengevat.


REGLEMENT VAN ORDE.

Art. 1.
Een ieder is verplicht 's ochtends op het vastgestelde uur op te staan en zich bij het luiden van de etensklok naar de eetzaal te begeven. Niemand mag tijdens de maaltijden in zijn woning blijven zonder een bewijs van de dokter.

Art. 2.
Elke woning moet dagelijks worden onderhouden, d.w.z. bedden en dekens moeten vóór 9 uur 's morgens in orde gebracht worden; de vloer moet elke dag rein gehouden worden. Geregeld zal hierover door de Barakchef controle worden uitgeoefend.

Art. 3.
Men is verplicht het gedeelte van de weg tussen zijn woning tot aan de droogrekken schoon te houden. Geen emmers vuil water, wasblikken, waterpotten enz. mogen daarop worden geledigd.

Art. 4.
De bewoners van de vertrekken van waaruit men in de kachelkamer kan komen, zijn verplicht die beurtelings uit te schrobben en schoon te houden. Onder alle omstandigheden hebben moeders met zuigelingen het recht, vóór alle anderen, van de kachel gebruik te maken. Zonder noodzaak mag zich niemand in de kachelkamers bevinden.

Art. 5.
Van af 9.30 uur 's avonds tot 6.45 uur 's morgens moet algehele stilte heersen, zowel in als rondom de barakken en mag niemand zich meer in de woning van een ander bevinden.

Art. 6.
Niemand mag van woning veranderen zonder schriftelijke toestemming van de Ambtenaar belast met de indeling, afgegeven in tegenwoordigheid van de Chef van de Barak.

Art. 7.
Daar het ten strengste verboden is spijzen van het middagmaal uit de eetzalen mee te nemen is het derhalve ook verboden eten te warmen op de kachels.

Art. 8.
Het is ten strengste verboden petroleum of andere vuren zowel binnen als buiten de barakken te gebruiken.

Art. 9.
Niemand mag het vluchtoord verlaten hetzij om zich te gaan vestigen in andere plaatsen in Nederland of in de vreemde, hetzij om terug te gaan naar België, dan met toestemming van de overheid van het vluchtoord; vóór zijn vertrek moet men zich laten uitschrijven op het gemeentehuis.

De zorg voor de naleving van bovenstaand reglement is opgedragen aan de Barakchef aan wie eenieder verantwoording verschuldigd is.

De Regeringscommissaris,
J. WILHELM.


Het eerste gedeelte van artikel 1 werd vrijwel algemeen nageleefd om de begrijpelijke reden, dat niemand graag zijn brood of zijn schotel warm eten miste. Zodra het klokje klepte om half acht, twintig over twaalf of twintig over vijf, zag men de bewoners in lange rijen van noord en zuid, oost en west afzakken naar de eetza1en, gewapend met het nodige gerei.

Het tweede gedeelte van dat artikel bracht heel wat beroering teweeg. Aanvankelijk ging het nogal, maar een moeder met een ziek kindje thuis, een oude versleten zwakkeling of een gebrekkige wist zonder veel bezwaren het bewijs van de dokter te bemachtigen en die bewijzen werden stilaan zo talrijk, dat een regeling moest worden getroffen voor de distributie van het eten, nodig voor de thuisblijvende zieken, want zij die de zieken verzorgden, moesten natuurlijk ook thuis eten! Dit gaf het aanschijn aan een nieuwe hieronder afgedrukte kaart voor: Eten thuis.


Wat dat "Eten thuis" de betrokken diensten hoofdbrekens heeft gekost, zou een buitenstaander moeilijk kunnen geloven. Aanvankelijk werd het eten afgehaald in de eetzalen, dan in de keukens, dan weer in de afwaslokalen van de eetzalen, maar nooit schoot de vindingrijke geest van de belanghebbenden te kort om zich meer dan het rechtmatige toe te eigenen. Het personeel had meestal een goed hart en een milde hand en 't gebeurde niet zelden, dat een zware (?) zieke zich kalmpjes naar de eetzaal begaf en zijn extra portie erbij profiteerde. 't Kwam gewoonlijk uit - van je vrienden moet je 't hebben - maar het ontbrak nooit aan durvers, die het ook eens wilden proberen om zich ten koste van 't algemeen eens meer dan te goed te doen.

Aan het misbruik kwam eigenlijk maar een einde, toen elke woonbarak haar eigen eetzaal kreeg. De briefjes van de dokter vervielen en daar iedereen in de barak wist wie er ziek was, ontstond de beste controle uit zichzelf en was een vrij ruim gebruik van het eten thuis zelfs mogelijk.

Aan artikels 2 en 3 onderwierpen de zindelijke gezinnen zich uit natuurlijke behoefte, maar met de op netheid niet gestelde families lag de Barakchef in een hopelozen voortdurende strijd, waarin zijn geduld meestal het onderspit moest delven. De reinigingsdienst en de grondwerkers hebben er al die tijd het genoegen van beleefd: de eerste kwam met het wegnemen van het vuil eigenlijk nooit geheel klaar, het herhaaldelijk beproefde systeem van vuilnismanden had slechts dit gevolg, dat de bewoners er een uitstekende gelegenheid in vonden om zich kosteloos in 't bezit van een voor alle doeleinden bruikbare mand te stellen; de laatste moesten het terrein vóór de barakken geregeld omwerken en bijhouden om de verontreiniging van de bodem te voorkomen. Ten slotte werden al de gezinnen, waarop de dagelijkse protesten van de buren en het ingrijpen van de politie bleven afstuiten, in één barak verzameld. Ofschoon de maatregel op zichzelf niet afdoende was, werkte hij toch preventief: de angst om naar "de vuile blok" te moeten en als inwoner van die blok te worden nagewezen of aangezien, werkte heilzaam. Ik herinner mij, hoe ik op zekere dag hevig opschrok door een geweldig kabaal in het portaal van het Raadhuis en het geschetter van een vrouw uit de vuile blok, welke hare overplaatsing tussen al die vieze mensen als een soort misdaad beschouwde, zich diep in haar fatsoenlijkheid gekrenkt voelde en er absoluut weg wilde.

Artikel 4: de kachelkamer! De zorgelijke bedoeling ervan werd nooit naar waarde geschat, laat staan zelfs gevoeld. 't Duurde niet lang, of alle gezinnen uit de barak eisten, om tal van redenen, het gebruik van de kachel op, vooral in de wintermaanden. De kachelkamer werd in minder dan geen tijd als kletskamer gebruikt, waar iedereen en alles met een nooit stuitende vloed van woorden over de hekel werd gehaald, en tot droogzaal en keuken getransformeerd. Gedurende de zomer werd het gebruik ervan beperkt en ging tussentijds de deur op slot, maar zodra die open was ging het weer mis. Daarbij kwam nog, dat de stoker het niet steeds met de vrouwen, die hem gewoonlijk de baas waren, kon vinden; nooit was de kachel gloeiend genoeg en de arme man wist geen raad hoe hij met zijn rantsoen hout en kolen moest toekomen. In de loop van de winter werd, om de belangen van de zuigelingen te vrijwaren en aan de wensen van de barak bewoners tegemoet te komen, aan het tegenovergestelde einde van de barak een gewone cabine als tweede kachelkamer in gebruik genomen en tijdens de strengen winter 1916-1917 kwam er in 't midden nog een derde kachelkamer bij, maar 't kwaad verdubbelde en verdriedubbelde, niettegenstaande het prikkeldraad, waarmee de kachelkamers langs boven tegen ongewenste indringers werden beschermd. Sommige barakchefs bleken toen ook een zwak te hebben voor een apart ontvangsalon en konden aan hun vrienden niet weigeren hun de kachelkamer als werkplaats af te staan. Anderen, welke op de naleving van de getroffen reglementen stonden, haalden zich de wrok van de gehele barak op de hals en bezweken onder de last van de herrie en opstootjes met de opeenvolgende stokers, de onverbeterlijke vrouwen, de tussenkomst van politie en overheid. In die tijd hadden de buurvrouwen, welke elkaar toevallig ontmoetten aan de deur of op straat, veel te vertellen! Daar kwam helaas! voor haar grotendeels een einde aan, toen de kachelkamers verdwenen bij de in de winter van 1917-1918 uitgevoerde verbouwing. Ik vermoed evenwel, dat zij ondertussen wel ergens anders een compensatie hebben gevonden, niet in de toepassing van artikel 5 en 6, welke stipt werden nageleefd, maar wel van 7 en 8.

Artikel 7: Gij zult geen eten meenemen uit de eetzaal en geen eten warmen op de kachels! Gedeeltelijk brengt ons dit artikel tot de beroemde kachelkamers terug en na hetgeen daarover is medegedeeld, behoef ik wel niet nader te vertellen, dat er meer dan teveel eten op de kachels werd opgewarmd: om het te verhinderen, had men bij elke kachel een gewapende marechaussee moeten plaatsen en wie weet of die ook niet gezwicht zou zijn voor de argumenten van het zwakke geslacht!

"Wat moet ik dan eten, mijnheer? Die "kwatta soep" (zo heette de bruine bonensoep) is dat een spijs? En die rijst? En die Amerikaanse bonen en die aardappelsoep? En snert, mijnheer, kan ik niet verteren! Moet ik dan van honger sterven! Of mag ik mij nooit eens iets extra's permitteren? En dan geen portie meenemen uit de eetzaal om 's avonds op te warmen voor mijn man, die buiten werkt en de kinderen, als ze, blauw van de honger, uit de school terugkeren? Nu gaat het alles in de spoelton voor de boer; 't zou toch beter zijn om het overschot onder de mensen te verdelen!"


De hoeveelheid verstrekte levensmiddelen was in die tijd zo groot, dat een verdeling van de kleine restjes uit de gamellen, waaruit in de eetzalen werd opgeschept, waarlijk overbodig was. Later, in moeilijker tijden, heb ik zo dikwijls uit de mond van de moeders de verzuchting horen slaken: hadden wij nu nog maar, wat wij vroeger hebben moeten weggooien of aan onze honden te eten gaven! Maar het lag nu eenmaal binnen de eisen van de kampbewoners, dat zij het onderste uit de kan moesten hebben, want het werd immers allemaal voor hen klaargemaakt, het kwam hun dus toe. Zij hadden er recht op en zij namen het op hun manier mee, eerst op heimelijk wijze, later openlijk, toen het meenemen van eten zulke afmetingen had aangenomen, dat een ingrijpen ertegen een algemeen verzet zou hebben uitgelokt. Aanvankelijk verdween het eten in een potje onder sjaal of schort of mantel. 't Werd wel eens opgemerkt, maar de politie kon niet elke dag 1000 mensen aan de lijve onderzoeken en het personeel, zelf vluchteling en bang voor mogelijke represailles, zweeg. Zo kon het misbruik insluipen, tot de potjes, keteltjes en pannen, welke iedereen zich intussen had weten aan te schaffen, openlijk te voorschijn kwamen en schilderachtig werd op een bepaalde dag de aanblik van de uit de eetzaal komende mensen, allen voorzien van de meest verschillende soorten van inhoudsmaten, of voorzichtig op de handen dragend, een vol bord rijstepap of snert, of aardappelen.

Artikel 7 werd in omgekeerde zin gewijzigd, en het personeel van de eetzalen mopperde niet: zij allen hadden toch het voorbeeld gegeven! De distributie, tegen welke rantsoenering niet was in te gaan, verbrak de laatste tegenstand: het overschot slonk zo geweldig, dat iedereen al tevreden was met wat hij kreeg om er, voor eigen rekening, nog wat bij te kopen. Dat bijkopen gaf de doodsteek aan artikel 8.

Het lag voor de hand, dat de bewoners, toen zij bemerkten dat er voor hun geen eigen vaste gelegenheid tot koken ter beschikking stond, zouden trachten die te improviseren. Het brandgevaar, dat dit met zich mee zou brengen, springt in het oog en er moest dadelijk voor worden gewaarschuwd.

Zolang het vluchtoord nog zijn vaste gewoonten en gebruiken niet had en de hoop op een spoedige terugkeer naar het vaderland levendig bleef, was de behoefte aan het bereiden van eigen spijzen vrij gering. Toen deze hoop evenwel ging slinken, de mannen geregeld werk vonden buiten het vluchtoord, alles gerantsoeneerd werd en de mensen hun maaltijden trachten aan te vullen door wat zij maar konden verkrijgen, kwamen de verboden vuurtjes te voorschijn: enkele hier of daar weggehaalde of gevonden bakstenen of keien met wat ijzerdraad als rooster, een oude emmer, met tochtgaatjes doorboord en met eveneens wat ijzerdraad als rooster onderaan, en waarin het vuur werd aangewakkerd door breed armgezwaai als met een wierookvat. Af en toe brandde er zelfs een huiskachel, die met ander huisraad was medegebracht, op het plein vóór de barak.


Er werd jacht op de vuurtjes gemaakt en de politie wist met de stapel geen raad, want het verbeurd verklaren roeide het kwaad niet uit.

Een woonwagenbewoner - ook woonwagens waren intussen in het vluchtoord aangekomen - profiteerde ervan; hij bouwde met verroeste zeepbus-platen en oude bakstenen een afdakje tegen zijn woonwagen aan, plaatste er een kacheltje in, stookte die met de overal opgeraapte sintels en kookte tegen betaling. De vuurtjes doken echter weer op en, wat erger was, enkele werden clandestien in de cabine gestookt.

In de zomer 1918 werd ten slotte aan de drang wat toegegeven en vergunning verleend om op bepaalde uren van de dag vóór de barak vuurtje te stoken. En sinds die tijd had de stille avondschemering in het vluchtoord de bekoring van de vrolijke gloed van de overal in rijtjes opflakkerende vuurtjes op en zonder poten, ronde en vierkante, waarop de pan te koken of te braden stond onder het wakend oog van een vrouwelijk silhouet en de belangstelling van glundere kleuters.

Artikel 9 werd in zijn geheel getrouw nageleefd, met uitzondering alléén van hen, die op hun eigen houtje in Nederland werk gingen zoeken en al kregen zij daartoe geen vergunning, tenzij zij enige kans van slagen hadden, zich om de nodige toestemming niet bekommerden. Dit gaf, wanneer zij als werklozen terugkeerden, herhaaldelijk aanleiding tot moeilijkheden, maar ook daaraan kwam een einde, toen de distributiekantoren in alle gemeenten een uitschrijvingsbiljet eisten: van dat ogenblik af werd artikel 9 het best nageleefde voorschrift van het vluchtoord, ook door hen, die tijdelijk buiten het vluchtoord gingen werken.

Om samen te vatten, van de negen artikelen waren er vooreerst slechts drie (1, 5 en 6) en later vier (met artikel 9) waarmee de nieuwe gemeente instemde, en alle vier gingen samen met óf een van hun behoeften óf hun belang. Naarmate het bleek, dat de andere artikelen met geen van beide geheel was te verenigen - bezwaarlijk kon dit trouwens verwacht worden van een reglement opgesteld voor een gemeenschap waarvan niet was te voorzien uit welke bestanddelen zij gevormd zou zijn, hoe zij zich zou gedragen en ontwikkelen in het zo ongewone milieu werden zij in de loop van de maanden gewijzigd of gaven zij, mede in verband met humanitaire overwegingen, aanleiding tot soms ingrijpende hervormingen, zoals de verbouwing van de slaapbarakken, welke niet zozeer werd ondernomen om een praktische verbetering van de huisvesting tot stand te brengen, maar grotendeels was: een noodzakelijk geworden inwendige reorganisatie onder de drang van de door de bewoners zelf geleidelijk aan geschapen atmosfeer en een uit het hart vloeiende bezorgdheid om het welzijn van de bevolking.

Aan de hand van andere feiten zullen wij dit in een volgend hoofdstuk kunnen bevestigen. Vooreerst evenwel nog een woord over de slotregel van het Reglement van Orde: "De zorg voor de naleving van bovenstaand reglement is opgedragen aan de Barakchef aan wie eenieder verantwoording schuldig is. Door deze bepaling was de barakchef, welke onder de vluchtelingen werd uitgezocht, tot de voornaamste burger van de gemeente verheven. Hij zou de steunpilaar van de orde worden en iedereen rekenschap vragen over zijn tekortkomingen!

Zijn positie, waaraan trouwens al dadelijk het hoogste loon was verbonden, steeg hem, jammer genoeg, naar het hoofd en zijn recht om te imponeren werkte naar onder en naar boven in verkeerde richting.

Om van hun solidair overwicht te getuigen, stichtten zij (ze waren met 33) de Vereniging van de Barakchefs, die elke dag een vergadering hield, waarvan de notulen werden bijgehouden, en waarop het beleid van de leiding niet zuinig werd besproken en gehekeld en hoewel toen de "Arsol" (arbeiders- en soldatenraden) nog niet bestond, eisen werden opgesteld, in hoofdzaak betreffende hun eigen functie, hun onderscheidingsteken en de door hen te nemen sancties. De bedoeling was niet kwaad, maar het schip had geen stuurman en kwam op een zandbank terecht.

De barakchef, of laat ik hem liever maar de naam geven, waaronder hij vier jaren lang bekend was, de "chefbrak", kreeg zijn uniform van gestreept goed met koperen knopen en zijn pet, maar de vergaderingen hielden op. Gedeeltelijk was dit jammer, want daardoor verdween het noodzakelijke besef van homogeniteit en werd het contact met de overheid grotendeels verbroken. Elke barakchef ging nu het reglement naar zijn eigen opvattingen interpreteren en toepassen; dit kon hij des te beter doen, aangezien hij zweeg wat hij niet zeggen wilde en alléén deed wat hij niet laten kon.

Velen onder hen waren niet bewust van hun verantwoordelijkheid en daar zij zelf toch ook vluchtelingen waren en hun noden niet verschilden waren van die van hun buren, lieten zij tal van overtredingen toe en werkten die, door hun nonchalante houding, niet zelden in de hand. Het gevolg ervan was, dat vele "chefbraks" stilaan hun gezag verloren, hun verantwoording op de directie afschoven en het ten slotte opgaven, omdat zij niet waren opgewassen tegen de stroom van de tegen-beschuldigingen .

Hun vervanging, die maar al te vaak nodig was - het vlottende element is in alle omstandigheden in het vluchtoord steeds een van de grootste struikelblokken geweest - was gewoonlijk geen verbetering en ook de kandidaten bleven uit.

Op zeker ogenblik was er zelfs gebrek aan chefbraks en werden de goeden met het toezicht over twee "blokken" belast, maar ook dit systeem bracht weer zijn bezwaren mee. De verbouwing verschafte ten slotte ook hier een oplossing, doordat verscheidene grieven verdwenen, het toezicht vergemakkelijkt en de geest van de bewoners rustiger werd. De flinke chefbraks hadden deze kalmere tijd wel verdiend. Hun taak was, dit dient te worden erkend, niet gemakkelijk (buiten de hun opgelegde verplichtingen, moesten zij ook nog zorgen voor het aangeven van de zieken en werden zij voortdurend naar het kantoor geroepen voor allerhande inlichtingen en kleinere karweitjes) en ondankbaar. Aanzien moesten ze krijgen en dat werd hun door hun medevluchtelingen niet gegund. Sancties mochten zij en kon ook, in de meeste gevallen, de directie niet nemen, omdat het vergrijp te gering was, zowat in de aard van het kattenkwaad, door schooljongens bedreven, die de teugels eens graag laten vieren, en een sanctie, die niet in de directe belangen ingreep, weinig uithaalde.

Des te verdienstelijker is dan ook het werk van diegenen onder hen, - en ik zou er meer dan één bij name kunnen noemen - welke er in geslaagd zijn, van hun blok een ordelijk huishouden te maken, waarin niet alléén tucht heerste en een kraaknette zindelijkheid, maar ook offervaardigheid en een gemoedelijke familiezin niet ontbraken.